ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN DE TRICOTAGE-INDUSTRIE TE SITTARD Het verhaal van de familie Röcker.

Rond 1920 openen de mijnen hun poorten en heel veel mannen vinden een baan in deze nieuwe industrie. De overheid besluit dat er ook werkgelegenheid moet komen voor de dochters van de mijnwerkers en in de begroting wordt een bedrag van Fl.100.000 opgenomen voor een nieuw op te richten tricotage-industrie. Men kiest hiervoor omdat er nog weinig concurrentie is en bovendien moet Nederland jaarlijks voor 30 miljoen gulden aan tricot kleding invoeren, 2/3 van het totale verbruik.

Het productieproces is redelijk eenvoudig; een rondbreimachine is al voldoende. Alleen deskundig personeel ontbreekt maar dat is te vinden in Zuid-Duitsland, 100 km ten zuiden van Stuttgart, in Württemberg, waar grote werkeloosheid heerst vanwege de crisis. De eerste Zuid-Limburgse fabriek komt in Treebeek.

Vestingen van de eerste tricotagefabrieken in Sittard

Op 6 november 1931 wordt tijdens een raadsvergadering in Sittard besloten om 6.000 m2 grond, gelegen aan de Rijksweg Noord (Overhovenerheide) te verkopen aan de Gebr. Merz, die op dat moment nog wonen in Mössingen Württemberg. De prijs per m2 wordt vastgesteld op ƒ 1,00. De grond was bestemd voor de bouw van een tricotagefabriek annex ververij. In de beginfase wil men 200 vrouwelijke arbeidskrachten uit Sittard te werk stellen en dit mettertijd uitbreiden tot 500. De firma Merz exploiteert op dat moment in Mössingen fabrieken, waar 1.200 werknemers te werk gesteld zijn. De benodigde machines samen met deskundige breiers en machinemonteurs worden in eerste instantie uit Zuid-Duitsland meegebracht.

Op 1 Januari 1932 laat Robert Merz bij de Kamer van Koophandel deze fabriek inschrijven als: N.V. Tricotagefabriek “Sittard”.
De fabriek heeft ervaren breiers nodig en die zijn hier nog niet te vinden dus laat Robert Merz mensen overkomen uit zijn geboortestreek. Zo ook Frans Röcker, geboren op 1 juni 1913 in Schwaben/Württemberg en werkzaam in de fabriek van de familie Merz. Omdat er vanwege de crisis weinig werk is neemt hij in 1933 de trein naar Sittard om, zo was hem beloofd, als ervaren breimachinemonteur, te werk te worden gesteld als chef van de breierij. Bij aankomst in Sittard blijkt dat de betiteling chef-breierij slechts het lokaas was en kan Röcker als gewoon breier voor ƒl.17,- per week beginnen. Gezien het feit dat bij hem thuis in Lautlingen ook geen werk is, moet hij dit in eerste instantie accepteren. Als de gebr. Fügel in 1932 beginnen met de voorbereidingen voor hun eigen bedrijf “Geleen”, gaat hij met hen mee. F. Röcker had toen voldoende geld voor de aanschaf van een breimachine en laat die bij de gebr. Fügel plaatsen. Van hieruit begint hij op 1 februari 1936 zijn eerste Tricotagefabriek “Het Zuiden”, tegenover Tricotagefabriek “Geleen”, samen met de heer Salden, die vlak ernaast zijn café heeft. Persoonlijke relaties en competentiekwesties leiden ertoe dat deze samenwerking slechts tot 12 oktober 1937 standhoudt. Salden probeert nog het bedrijf in stand te houden, maar moet in 1942 tot liquidatie overgaan.

F. Röcker begint op 12 oktober 1937 samen met H. Ruers de Tricotage Fabriek “Röcker en Co”. Begonnen wordt in een lege timmerfabriek aan de Limbrichterweg

in het Limbrichterveld. In 1938 wordt aan het Stadswegske de nieuwbouw betrokken. Het bedrijf functioneerde goed tot 1942 wanneer Frans Röcker vanwege zijn Duitse nationaliteit gedwongen wordt om dienst te nemen in de Duitse Wehrmacht, en terecht komt in Rusland, alwaar hij in 1943 in Russische krijgsgevangenschap belandt en gevangen wordt gezet in de nabijheid van de stad Gorki ca. 300 km ten zuidoosten van Moskou.

Na veel omzwervingen en met hulp van het Rode Kruis komt hij uiteindelijk
terug in Sittard, waar hij, vanwege zijn Duitse nationaliteit en ondanks het feit dat hij al sinds 1933 in Sittard woonde en werkte, bepaald niet met open armen wordt ontvangen door de Sittardse bevolking.
Na de oorlog valt zijn bedrijf onder het Nederlands Beheers- instituut en als beheerder wordt J.H. Kreutzkamp aangesteld. Op 30 augustus 1949 wordt F. Röcker volledig rechtsherstel verleend en wordt het beheer opgegeven.
F. Röcker en Th. Ruers gaan uit elkaar en ieder begint een eigen bedrijf, Th. Ruers met zijn broer H. Ruers en zwager J. Kleinjans de Tricotagefabriek “Rutrico” en Röcker start in november 1949 zijn nieuwe bedrijf onder de naam “Rositta”, een samenstelling van de naam Röcker en Sittard. De fabriek wordt gevestigd in de opslaghallen van de bouwhandel van de Familie Steegmans, de ZLB, gelegen aan de Rijksweg Noord in Sittard.
Gezien zijn Duitse nationaliteit worden op last van de overheid een medebeheerder en een boekhouder aangesteld: de heren J.H. Kreutzkamp en G. Ubaghs.
Deze twee heren hebben er mede voor gezorgd dat Rositta in die volgende jaren uitgroeide tot een textielonderneming die in vele landen binnen Europa bekend werd om haar kwaliteit en betrouwbaarheid.

Toch waren de beginjaren van de nieuwe onderneming bepaald niet gemakkelijk, aangezien er velen waren die vanwege de Duitse nationaliteit van Röcker geen of nauwelijks zaken wilden doen met Rositta. Ondanks deze hindernis verliep de ontwikkeling stormachtig, zodat spoedig sterk uitgebreid moest worden. Op 4 oktober 1954 wordt op het Industrieterrein Noord de nieuwe fabriek officieel geopend in de aanwezigheid van deken Haenraets en burgemeester Coenders. ( zie foto).

Tijdens de Internationale Textielmachine-tentoonstelling in 1959 in Milaan, de ITMA, vat de heer Röcker het plan op om een mega-investering te doen, teneinde zijn ultieme droom van volledige onafhankelijkheid te realiseren.
In overleg met een bevriende directie van een Duitse spinnerij, kreeg hij de bouwplannen toegespeeld hoe een dergelijke spinnerij zou moeten uitzien. Nauwe samenwerking met de producenten van de benodigde machines gaven hem een beeld wat een dergelijke investering met zich mee zou brengen, en welke invloed dat zou hebben op het rendement van de onderneming.

In 1961 opent burgemeester Dassen de nieuwe Spinnerij onder toeziend oog van het voltallige personeel (ook uit Duitsland) en vele genodigden uit binnen-en buitenland.

De enorme inspanningen van de voorafgaande jaren betekent een aanslag op de gezondheid van Frans Röcker .Desondanks gaat hij onverminderd voort en start in Maaseik een nieuw confectie-atelier om een andere productgroep te gaan maken. De leiding van dit atelier komt in handen van zijn oudste zoon.

In 1965 slaat het noodlot toe. Op 24 juni 1965 om 18.00 uur ontstaat er een felle brand in de elastiek-fabriek, die binnen een mum van tijd het hele gebouw in vuur en vlam zet. De in allerijl opgeroepen brandweer kan alleen nog maar het kantoorgebouw redden.

Ziek als hij is gaat Röcker naar zijn fabriek en moet toezien hoe zijn levenswerk in enkele uren wordt verwoest. Maar met veerkracht en doorzettingsvermogen begint hij, net zoals in 1949 opnieuw en doet wat er gedaan moet worden.
Dankzij de goede relaties, opgebouwd in de loop der jaren met collega-fabrikanten, kan hij met hun steun zijn fabriek weer opbouwen. Op het eind van 1966, draait het bedrijf weer op 90% van de oude capaciteit.

Op 28 oktober 1971 sterft Frans Röcker op 58-jarige leeftijd. Hij laat een bloeiende, technisch en kwalitatief hoogstaande onderneming achter die het hoofd moet gaan bieden aan een veranderende maatschappij. Zijn zoon Ruud neemt zijn taak over.

Vanaf 1973 neemt de concurrentie uit verre landen toe. Ook Rositta ontkomt niet aan deze enorme prijsdruk en moet derhalve een nieuwe strategie ontwikkelen om in dit geweld te overleven.
Hoewel de techniek zich binnen de diverse afdelingen op een uitermate hoog niveau bevindt, is dit in de ogen van de nieuwe directie, bestaande uit de heren R. Röcker jr. en J.H. Kreutzkamp, onvoldoende om de concurrentie met de import aan te gaan.

In 1975 wordt daarom het bestaande machinepark in de spinnerij integraal vervangen door verregaande geautomatiseerde machines waardoor de personele bezetting in deze fabriek met 70% kan worden verminderd. Helaas betekent dit het ontslag voor veel medewerk(st)ers.
Een reeks van maatregelen resulteren in een verbetering van het rendement van de onderneming en zo van voortbestaan van Rositta.

Intussen was er afscheid genomen van de heer J.H. Kreutzkamp, die door ziekte gedwongen werd om vervroegd met pensioen te gaan, en was er een nieuw directieteam gevormd bestaande uit de heren R. Röcker jr. (Algemeen Directeur),

A. Leentjens (Produktie-Directeur) en C. Queis (Verkoop-Directeur).

In de jaren 90 loopt het rendement ondanks alle inspanningen terug en wordt er samenwerking gezocht met fabrieken in Hongarije en in Polen. Uiteindelijk redt Rositta het niet en op 27 oktober 2004 spreekt de rechtbank in Maastricht het faillissement uit en komt er een eind aan een 67-jarig bestaan van een droom die op 28 februari 1936 begon.

De sfeer in het bedrijf was geweldig en dat werd ook door iedereen zo gevoeld. Dit bleek op de dag dat Röcker jr. zijn medewerkers moest mededelen dat de fabriek ging sluiten. Het was voor hem een bijzonder moeilijke dag. In de krant stond later

dat er na afloop van deze mededeling een applaus kwam van de medewerk(st)ers, ondanks het feit dat hun baan kwijt waren. De mensen namen één voor één afscheid van hun directeur. Zelfs de van de vakbond moest toegeven dat ze dit nog nooit had mee gemaakt.

Röcker jr. heeft iedereen een persoonlijke brief gestuurd om hun te bedanken en heeft getracht om zoveel mogelijk medewerkers aan een andere baan te helpen

Met dank aan R.F.M. Röcker
Bronvermelding “Ontstaan en ontwikkeling van de tricotage” door J.H. Kreutzkamp