LAGERE SCHOOL BAANDERT – ULO

De voormalige Odastraat hield voor september 1965 op voor de Cotelbeek.

Een klein paadje over een smalle brug vormde de verbinding met de buurtschap Aan de Linde en met Overhoven. Voor de verbinding met de Paardestraat zorgde de smalle brug over de Molenbeek. Langs deze, toen nog erg stille Odastraat werd in 1918 een tweede openbare lagere school en uloschool gebouwd. Voor de binnenstad was deze school tamelijk moeilijk bereikbaar, omdat Deken Haenraetsstraat en Haspelsestraat nog niet waren aangelegd.

Via allerlei kleine paadjes of de tuinen van de ursulinen wisten de jongens de school wel te bereiken.

Hoofd H Rademakers

In verband met de op handen zijnde invoering van de nieuwe onderwijswet en de stichting van nieuwe scholen door de pas opgerichte Katholieke Schoolvereniging, werd het geen lagere school met zes klassen en een aparte school met drie uloklassen. Er kwam een vierde tot en met een zevende klas, die later uitgebreid zouden worden. Per 1 september 1918 ging de school met 39 leerlingen van start met de 35-jarige Hubert Rademakers als hoofd. Hij was geboren in Nieuwstadt, in Sittard onderwijzer geweest en had in 1906 de hoofdakte behaald. Hij wilde een brede onderwijskundige vorming en ging in enkele grotere plaatsen buiten Limburg werken. In zijn sollicitatiebrief schreef hij, dat hij naar Limburg wilde terugkeren en hoopte met zijn “opgedane kennis en verkregen ervaring een positie van gewicht te verkrijgen.” Hij had gedurende twaalf jaren lesgegeven in Castricum, Amersfoort, Nijmegen en Den Haag.

In Den Haag werkte Rademakers aan de mulo. Hij had een groot aantal bevoegdheden:

Frans, Duits, Engels, tekenen, vrije en orde-oefeningen en middelbaar schoonschrijven. In de raadsvergadering van 15 juli 1918 kreeg hij de voorkeur boven 46 andere sollicitanten uit het hele land. Tot onderwijzers werden benoemd: W. Blokker (mulo te Enschede), A. Coenen (hoofd te Obbicht) en J. Vermeulen (hoofd te Thorn). Bij de opening van de school op

16 september 1918 waren klassen voor het vierde tot en met het zevende leerjaar.

In alle klassen werd naast de gewone vakken Frans gegeven, en vanaf de zevende klas bovendien Engels, Duits, wiskunde, algemene geschiedenis, handelsrekenen en boekhouden. In december 1920 waren er 218 leerlingen.

Zelfstandige mulo

Bij de opzet van het schoolgebouw was rekening gehouden met de mulo als zelfstandig schooltype en niet meer als een verlengstuk van de lagere school.

De nieuwe wet bepaalde, dat een lagere school en een mulo onder een hoofd konden staan, als het leerlingental lager dan 220 was. Het aantal leerlingen groeide en op 1 januari 1921 werd de school dan ook gesplitst in een zesklassige lagere school onder leiding van A. Coenen en een mulo van drie klassen met H. Rademakers als hoofd. Aan de lagere klassen gaven les mej. A. Moerdijk, J. Teuwisse, A. van de Bilt, J. Jacobs, A. Simonis en W. Blokker.

De U-vorm van het gebouw laat de tweedeling zien: het rechtergedeelte was voor de mulo-afdeling en de twee andere vleugels voor de lagere school met daartussen de gezamenlijk te gebruiken gymnastiekzaal. Oorspronkelijk had, de vleugel waarin de ulo-afdeling was gevestigd geen tweede bouwlaag. Pas in 1938 kwam er een verdieping.

Overname door de Schoolvereniging

Nadat de schoolstrijd in 1920 met de aanvaarding van een nieuwe wet was beslist, betekende dat op 1 december 1922 het einde van deze openbare lagere school. Op die datum nam de Katholieke Schoolvereniging Sittard de school in de Baanden over met dezelfde zes onderwijzers van de lagere school en de vier van de mulo.

De school groeide uit tot de destijds grootste in Sittard met zo’n 350 leerlingen, maar werd kleiner nadat in 1931 de school Overhoven geopend was.

Na sluiting in 1935 van de lagere school aan de Begijnenhofstraat (andere zijde stadsschool Kapittelstraat) met Blokker als hoofd, groeide ze weer.

De lagere school kwam vanaf 26 oktober 1934 onder leiding van de heer H. Delsing (Echt 1899-Sittard 1967) te staan. Hij was een bekwaam schoolleider en betrokken bij het Sittardse sociale leven. Lange tijd was hij o.a. voorzitter van het Oranjecomité, voorzitter van het Comité 700 jaar Stad in 1948 en voorzitter van het Sittards Mannenkoor. Hij werd benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau en bij zijn afscheid als hoofd der school in 1946 ontving hij de zilveren legpenning van de stad. Ook Coenen werd door Sittard geëerd. Vanwege zijn verdiensten voor het katholiek onderwijs en het verenigingsleven ontving hij in 1961 de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice en eerde Sittard hem in 1965 met de zilveren legpenning van de stad.

Het schoolgebouw voldeed steeds minder aan de eisen die het voorgezet onderwijs stelde.

De mulo bleef nog enkele jaren hier gehuisvest. Bij het begin van het nieuwe schooljaar 1965-’66 verhuisde deze naar een nieuw gebouw aan de Kennedysingel.

Math Vleeshouwers  “ Beelden van Scholen in Sittard”