Jacques Schreurs MSC, priesterdichter (1893-1966)

 

Albert Verlinden wil in 2022 een musical op de planken brengen met als titel “Dagboek van een herdershond” en velen zullen zich nog wel de serie op de televisie herinneren met kapelaan Odekerken die als jonge kapelaan terechtkomt in een dorp waar de mijn langzaam maar zeker het leven van de dorpsbewoners gaat veranderen.

Er wordt niet bij verteld dat Jacques Schreurs dit verhaal schreef naar aanleiding van belevenissen als jonge kapelaan in Overhoven.

 

Jacques Schreurs werd geboren in de Helstraat no 6 op 9 februari 1893 als zoon van de uit Grathem en Panheel afkomstige Jan Schreurs en Johanna Brouns. Vader Schreurs opende een herberg in de Helstraat, was lid van de Philharmonie en voelde zich thuis in de kleine stad. Zijn moeder kon maar moeilijk wennen en voordat de kleine Jacques 1 jaar was verhuisde het gezin alweer naar Panheel. In zijn jeugd maakte hij kennis met de natuur en hij luisterde graag naar de vele verhalen die zijn grootvader en ook zijn vader hem vertelden.

Hij kon goed leren en op 14-jarige leeftijd vertrok hij naar Tilburg om bij de paters van het H. Hart de priesteropleiding te volgen. Graag had hij missionaris willen worden maar die wens werd niet vervuld.

 

Overhoven

In Overhoven werd op uitdrukkelijk verzoek van deken Tijssen een nieuwe parochie gesticht waarvoor de congregatie van de missionarissen van het H. Hart gevraagd werd. Deken Tijssen was een groot promotor van het H. Hart. De parochie werd dan ook vernoemd naar het H. Hart.

Jacques Schreurs werd hier in 1924 benoemd tot kapelaan en zo kwam hij terug naar de stad waar hij was geboren. Hij maakte al spoedig kennis met deken Tijssen voor wie heel een grote bewondering had.

Het was de tijd waarin de mijnen de poorten openden en uit alle delen van het land mensen naar Limburg kwamen om er te wonen en te werken. Maar het was ook de tijd van armoede, van een veranderde samenleving en van het opkomend socialisme. Jacques Schreurs was sociaal bewogen. Hij zag de komst van de mijnen vooral als werkgelegenheid voor de lagere sociale klassen.

Met de mijnen kwamen ook veel andersdenkenden naar onze omgeving. Dat betekende voor Schreurs dat op vele manieren het Katholieke geloof verdedigd en versterkt moest worden.

In zijn “Kroniek ener Parochie” (1941-1948) noteerde hij al deze ervaringen.

Later werd dit boek door Willy van Hemert verfilmd en onder de titel “Dagboek van een herdershond” uitgezonden op de televisie.

De jonge parochie beschikte nog niet over een eigen kerk en hoewel hij absoluut geen economisch kwaliteiten had kreeg hij de opdracht om voldoende kapitaal bijeen te brengen voor de nieuw te bouwen kerk. Naast zijn werk voor de parochie was hij vaak bezig met het schrijven van gedichten en toneelstukken.

Voor de missieweek in 1932 in Sittard werd hij gevraagd om een toneelstuk te schrijven. Dit werd Omnis Terra, uitgevoerd op de Markt met ca. 800 deelnemers; een indrukwekkend schouwspel.

In 1937 kreeg hij van zijn overste toestemming om zich volledig te wijden aan zijn litteraire werk. Hij woonde in het missiehuis te Stein.

De oorlog

Pater Schreurs nam in oorlogstijd actief deel aan het verzet. In augustus 1943 werd hij opgepakt door de Gestapo en na een verblijf in Maastricht naar het gevangenenkamp Haaren overgebracht en vervolgens naar het Oranjehotel in Den Haag waar hij ter dood veroordeeld werd. Gelukkig werd het vonnis niet voltrokken en na een ellendige tijd werd hij in 1944 weer vrijgelaten.

Zijn werk

Nu hij beschikte over meer vrije tijd werd hij ook gevraagd om te schrijven voor speciale gelegenheden. Zo schreef hij voor Tegelen het Passiespel, voor Susteren het spel van de Heiligdomsvaart en voor Sittard ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van de stad.

Zijn confraters in Overhoven vroegen hem om toneelstuk te schrijven over het leven van deken Tijssen.

In opdracht van het bisdom deed hij onderzoek naar het leven van deken Tijssen en  schreef een biografie over deze geliefde deken als voorbereiding op een mogelijke zaligverklaring.

Zijn reis naar Umbrië was aanleiding voor het schrijven van een roman over de H. Franciscus en de H. Clara maar ook in zijn gedichten denkt hij vaak terug aan zijn verblijf in Italië.

In Frankrijk maakte hij kennis met de gotische kathedralen met hun prachtige ramen. Juffrouw Spanjaard vroeg hem om ook gedichten te schrijven voor de kinderen van haar klas. Een van deze gedichten heette “Homel, domel doedelzak” en het gedicht nam de kinderen in gedachte mee op reis naar Reims en Chartres en liet hen meegenieten van al het moois dat hij had gezien. Een van die kinderen was ik en het heeft toen veel indruk gemaakt op mij.

In veel van zijn gedichten zien we de natuur terug waar hij al als kleine jongen zo van genoot.

Zijn laatste levensjaren

In 1957 werd hij ernstig ziek. Van Jo Cals, minister van cultuur, ontving hij de opdracht om gedichten te schrijven over de ouderdom. Deze uiterst sombere verzen werden na zijn dood gepubliceerd. Thema van de gedichten uit deze jaren is vooral de ouderdom en het afscheid. Een gedichtenbundel uit deze tijd draagt de titel “De oude boom”.

In 1966 stierf pater Schreurs. De uitvaartdienst vond plaats in zijn oude parochie Overhoven en begraven werd hij op het kloosterkerkhof in Stein.

In Overhoven een straat naar hem vernoemd en ook een plaquette in de Helstraat, op de plaats waar hij geboren werd, herinnert ons blijvend aan deze priester-dichter die nooit echt het Sittardse dialect heeft leren spreken maar wel altijd wilde weten dat hij in Sittard geboren werd.

In zijn autobiografie heeft hij dan ook de eerste hoofdstukken aan Sittard gewijd.

Na zijn dood heeft Juffrouw Spanjaard nog enkele gedichtenbundels met werk van Jacques Schreurs uitgegeven.

 

HOMEL, DOMEL, DOEDELZAK           Jacques Schreurs

 

Homel, domel, doedelzak,                 Dao in Chartres, nao die raame:

Pak mich op diene kraomejak;          Nao die millijoene sjerve

Vleig mich, braomel vleigmesjien,    Die mer brenne, die mer gluije,

Vleig mich in ein rechte lien,             Woo den heemel sjteit te bluije,

Euver daaker, euver daale,                Woo ich, minsjke, muig van ‘t zjwerve,

Nao de franse kathedraale                Sjtil op eine sjtein wol sjterve…

Nao de ‘Belle Jardinière’,                  Homel, domel, vleig mich noe,

Nao de belle ‘Notre Dame                 Vleig mich toch nao Chartres toe!

De la belle verrière’ -jacques Schreurs