Harie Brull, rots in de branding. Overleden 9 januari 2021

We hebben jullie, beste lezers, al laten genieten van een voorhoedespeler, vervolgens van een kanthalf. Wat zou een elftal zijn zonder achterhoede? Welnu, hier is hij dan zoals in de titel te lezen is, de rots in de branding. Weer een Sittardenaar die Nederland verdedigde tegen menige tegenstander.

Harie Brull, thans wonend op de Broeksittarderweg 130, werd 12 april 1935 geboren in de huidige Voorstad in het pand van Café Oberbayern.

“Heel simpel omdat pap en mam daar in de dertiger jaren woonden. Later verhuisden we naar de Putstraat, o.a. naast café Pfennings waar ze heerlijke frites verkochten. Ik was de derde in ons gezin. El, de oudste, dan kwam zus, vervolgens ik dus. Daarna kwamen nog Annie en Zef.

Pap was van Venlo, mam was er een van Adam Heynen, die op de markt woonde. Ik was niet de enige thuis die voetbalde. Pap heeft in Venlo gespeeld bij GVV. Toen hij naar Sittard verhuisde, speelde hij bij de VVS, echter niet lang.

Zef trapte ook tegen de bal. We hebben nog samen gespeeld bij Sittardia. ( foto )
Op 15 jarige leeftijd ben ik begonnen in het C-elftal, snel echter maakte ik de overstap naar het A-team.
Na de fusie trainden we op het VVS terrein aan de Broeksittarderweg. Wedstrijden speelden we met het eerste elftal in de Baandert, het vroegere Boys-terrein.

Na de lagere school ging ik naar de toenmalige ambachtschool. Vervolgens ben ik bij de gemeente begonnen. Ik was 17 jaar. Dat was ook de tijd van Sjeer Gruizen en Willy Erkens. Die waren er een paar maanden eerder dan ik. Zij speelden al in het eerste elftal. Als men mij vroeg waar ik werkte, was de standaard uitdrukking: “Bij de gemeente, dan hoef je toch niets te doen.” “Zo waar ’t vruiger en zo is ’t noe.”

Ik heb het niet zo gemakkelijk gehad bij de gemeente. Bijna mijn hele werkzaam leven heb ik in de grond aan de leidingen zitten fröbelen. Wij moesten in de zomer om zeven uur ‘s ochtends beginnen tot half zes in de avond. Dat waren lange uren. In de winter was het niet veel minder; van acht tot vijf.

Bij de gemeente heb ik buiten die van Peter Jessen weinig steun gekregen. Hij was bestuurlid van de Boys en later bij Sittardia. Mijn bazen hadden totaal geen interesse in voetbal. Wel degenen die met mij in de grond moesten ploeteren.

Wie ook veel begrip voor mij had was Frans de Bruin. Hij was de trainer in mijn Sittardse periode. Ik heb niet steeds de kleuren van Sittardia verdedigd. Ik werd verkocht aan RAPID ( Kaalheide ), tegenwoordig RODA JC. Daar heb ik vier jaren gespeeld. Vervolgens verkocht men mij aan MVV. Die periode duurde bijna drie jaar. Toen volgde FORTUNA ’54. In 1966 was ik weer terug bij Sittardia. Daar heb ik nog gevoetbald met mijn zes jaar jongere broer Zef.

Die verkoop naar RAPID was een soort kwartetspel. Ik werd voor de buitenwacht geruild voor drie spelers van hun. Rein Barwasser, Hein Stroucken en Johan Adang. Volgens mij kwam er ook geld aan te pas. Vic van de Penning zou er meer over kunnen vertellen. Hij was in die tijd penningmeester van Sittardia.

Bij RAPID kreeg ik ook mijn eerste profcontract, dat in geen vergelijk staat tot wat heden ten dage gebruikelijk is. Drie trainingen per week á raison van fl 7.50 per training. Gewonnen wedstrijd fl.25,-, gelijkspel fl.12,50. Bij verlies kreeg je niets. Naderhand kwam er verandering, liepen de bedragen op.

Toen ik naar RAPID vertrok kreeg alleen de club het geld. Ik zag daar nooit iets van. Als ik eerlijk ben, moet ik constateren dat ik een ongelooflijke stommeling was op dat gebied. Ik voetbalde te graag en het geld interesseerde mij nog niet zo. Het was wel gemakkelijk omdat het voor mij toen niet zo’n geweldige tijd was. Er zat wel vooruitgang in de betalingen en ik werkte toch. Het was voor mij een op sportief gebied wel een heel mooie tijd.

Ook bij RAPID stond ik onder de hoede van Frans de Bruin. Hij volgde mij als het ware van de ene club naar de andere. Alleen bij MVV is hij niet mijn coach geweest.
Bij RAPID werd ook over de grens gevoetbald. Oefenwedstrijden tegen Fortuna Düsseldorf, Köln FC en Allemania Aken. Later bij Fortuna ’54 kwamen we o.a. ook in Roemenië terecht. Van RAPID ging het naar MVV. Dat bracht wel geld op.

Voordat Frans de Bruin bij RAPID kwam, was reizen niet mijn favoriete bezigheid. Met de trein naar Heerlen en aansluitend met de bus naar Kaalheide.Toen Frans trainer werd, kon ik meerijden. Bij MVV werd ik steeds opgehaald door Frans Körver.
Ik ben nooit full prof geweest. Dat waren er in die tijd maar weinigen, zoals Cor van der Hart. Die had een luizenbaantje bij Gied Joosten.

Mijn plaats in het elftal heeft nooit ter discussie gestaan. Rechts back van het begin tot het einde. Daar speelde ik ook het liefst. Als je dus spreekt van een ingewilligde favoriete plek, dan is dat hier van toepassing.

Meestal stond ik om vijf uur op. Dan ging ik anderhalf uur hollen door het veld. Aansluitend moest ik werken zoals gezegd van zeven tot vijf. ‘s Avonds volgde de training. Geen wonder dat ik droomde van een plek bij Real Madrid, waar toen mijn favoriete back speelde.

In de vijftiger jaren speelde ik een keer of vijf zes in het Limburgs elftal. Later in het Nederlands elftal. De eerste keer was in Roemenië. Daarna kreeg ik een invalbeurt tegen het Duitse elftal. Dat was in Keulen. Die pakte echter niet zo best uit. Ik speelde een slechte wedstrijd.

Even over de medische begeleiding. Bij Sittardia hadden we Thei Jessen. Dokter Jessen maar iedereen zei Thei. Hij zou je ook raar aangekeken hebben als je dokter zei. Bij RAPID was May Boesten de medische begeleider. Hij had een café op de markt in Sittard, de Pelikaan geheten. Later is hij naar Sittardia gekomen.

Elk jaar moesten we op keuring. Als je aan een club verkocht werd, kreeg je een speciale keuring. Je werd binnenste buiten gekeerd. Logisch want men wilde om ’t zo maar eens te zeggen, geen kat in de zak kopen.

Van een begeleiding na mijn voetbalcarrière had niemand ooit gehoord. Wel maakte men zich druk over mijn reilen en zeilen tijdens mijn voetballeven. Toen ik nog in het eerste elftal van Sittardia speelde, pingelden we vaak op straat. Kwam Frans de Bruin langs, zei hij: “Potverdomme om half drie moeten we weer spelen, zorg dat je rust neemt.” Maar ikvoetbalde veel te graag.

Het allereerste jaar in 1954 bij Sittardia betaalden we nog contributie ondanks het contract dat we hadden. Ik weet nog dat Zefke Dieteren zich daarover ergerde.

Na mijn actieve voetbalperiode, ik was 34, heb ik het C-diploma als trainer behaald. Jaren was ik als trainer verbonden aan Lindenheuvel. Later in Berg a/d Maas. Bij Sanderbout heb ik ook nog twee jaar de meute aangejaagd.

Naar Fortuna ga ik heel weinig. Het zegt mij niet zo veel meer. Als ik ga kijken tref ik daar nog wel mensen uit mijn actieve loopbaan zoals Peter Benen en Giel Haenen.
Naar het treffen van oud interland spelers in Huis ter Duin ben ik nog nooit geweest.

Wil je mijn mening horen over het huidige voetballen?
Als ik heel eerlijk moet zijn, vind ik daar niet veel aan. Ik zie de bal vaker terug gaan dan vooruit. Wat ik wel knap vind, is dat ze door dat combineren veel gaten vinden. Vooral de Nederlanders zijn daar erg goed in. Als kijkspel op zondagavond vind ik het bijna niet de moeite waard. Maar welke goede speler is nog aanwezig in de vaderlandse competitie? Ze hebben wel de hele dag de bal aan hun voeten. Sjeer Gruizen moest de hele dag met zware kolenzakken sjouwen en ik elke dag als een konijn in de grond graven. En toch zijn wij op reis geweest naar Spanje. Dat was een hele beleving voor ons jonge jongens.

Tijdens mijn militaire diensttijd bij de Genietroepen in Vught, mijn opleiding in Den Bosch en mijn verdere tijd bij de Genieke-hap in Utrecht, speelde ik in het Nederlands militaire elftal. Uitstapjes waren er tegen de Duitsers, Turken en Portugezen. Naar Turkije vlogen we met een militair vliegtuig tot Istanbul. In zo’n vliegtuig waarin ook parachutisten werden vervoerd. Je zat tegenover elkaar en opeen gepakt. Dat was heel normaal. Je wist niet beter.

Ik vergeet ook nooit, we hadden het niet zo breed bij ons thuis. Vijf kinderen en pap werkte maar alleen. Toen we met Sittardia naar Spanje gingen moesten we toch een bedrag zelf bijleggen. Ik zei tegen Vic Pennings: “Dat heb ik niet”, zei hij: “Dan kun je niet mee.” Toen ik dat thuis vertelde zei mam dat ze haar best zou doen, die droom toch waar te maken, want, zo was de redenatie zoiets beleef je maar één keer in je leven. Dus ik ging mee. Vraag niet hoe ze het hebben klaar gespeeld.

We waren als voetballers toch wel bevoorrecht in die tijd.
Ik weet nog dat ik nog niet in een club speelde en alleen op straat boven in de Putstraat tegen de poort van boer Wetzels kon trappen. Kwam Lambert Pfennings langs, zei hij: “Je moet bij de Boys komen. Heb je een paar voetbalschoenen?” Ik ontkende, zijn antwoord was: “Dan laat ik je een paar maken bij Jan Simons onder aan de Putstraat.”
Toen ik dat thuis vertelde zei mam: “Ik geloof niet dat pap ‘t goed vindt, dat jij bij de Boys gaat voetballen. Iemand van de VVS heeft toen gezorgd dat dezelfde Jan Simons mij een paar schoenen aangemeten heeft die zaten als gegoten. Ik verzorgde die schoenen heel goed. Op zondag hoefde ik ze niet zelf te poetsen, dat deed mam altijd of mijn zus An, Je had ook maar één paar schoenen. De broeken en shirts kreeg je wel al gratis. Het shirt van het Nederlands elftal heb ik bewaard.
Eén keer heb ik geweigerd een truitje van een sponsor aan te trekken. De club kreeg geld, wij niets. Ik vroeg: “ Ook geen 5,- gulden.” Nee niets,” was het antwoord. “Wel dan trek ik dit truitje ook niet aan.”was mijn wederwoord. Iedereen behalve ik speelde in het sponsorshirt. Maar ik werd toch opgesteld.

We speelden met drieën in het Nederlands elftal. Soms werden we door Wil Heuts naar de trainingen gereden. Wie had een auto in die tijd?

Ik bewaar nog altijd de beste herinneringen aan mijn voetbal- en trainersloopbaan.” Het was fijn om naar zijn verhaal te luisteren.

Met dank aan Mia Könings-Collombon voor het interview Baer Smit