Deken van Rens.

Door het kerkenwachtgilde ben ik benoemd als hun voorzitter. Omdat een gildevoorzitter vroeger deken heette werd mij die titel door Fer Mennens en Wim Knoben ook toegedicht. Zo is het al 25 jaar. Hoog tijd dat ik mijn naamscollega aan de overkant ga opzoeken. Dit met de bedoeling de lezers van Sittards Verleden op de hoogte te brengen van de levensloop van de Sjeng die thans deken van Sittard is.

Zoals vaker laten we de geïnterviewde zelf aan het woord.

“Ik ben geboren in Maastricht op de Kleine Gracht, een zijstraat van de Markt, op 7 november 1943. Volgens mijn ouders op een zondag. Of ik een zondags kind ben, moeten anderen maar uitmaken. Mijn ouders hadden een bakkerij. Vader bakte en moeder stond in de winkel.

Na de lagere school van de broeders van de Beiaard op de Brusselsestraat, luidde het advies Mulo. Maar via een toelatingsexamen slaagde ik voor de middelbare school van het Veldeke college. In 1963 rondde ik de HBS-A af. Tijdens een lange vakantie, met een fantastische tijd als vrijwilliger bij de bouworde in Frankrijk, kwam de gedachte aan het priesterschap bovendrijven.

Ik zocht geen supporters maar mensen die met mij kritisch zouden bekijken of ik dit wel of niet moest doen. Dan moest ik niet bij mijn moeder zijn. Die was erg gelovig en zou meteen zeggen:”Jong dat moet je zeker doen.” Maar er bleven nog genoeg anderen over die mijn keuze degelijk onder de loep legden.

Ik ben naar het seminarie gegaan, d.w.z. naar het H.T.P., dat heette toen nog het filosoficum. Het was gesitueerd in Heerlen op de Molenberg. Die waren juist begonnen. Je moest er nog Latijn en Grieks doen. Leraar klassieke talen, Rouwette, heeft me elke dag Latijn en Grieks gegeven maar ook veel kunstgeschiedenis. Elke ochtend volgde ik de lessen filosofie en elke middag had ik privé les klassieke talen. Iedereen die een priesteropleiding volgt moet twee jaar filosofie studeren. Men moet, zou men kunnen zeggen, kandidaats filosofie gehaald hebben zo dat men weet wat de grote lijnen van denken zijn in de wereld, zowel de moderne als de klassieke.

Ik ben geen filosoof of theoloog , ook niet een afgestudeerd wetenschapper, dat ben ik ook nooit geweest of geworden. Ik vind het wel interessant om te volgen.

Toen ben ik overgegaan naar het grootseminarie in Roermond. Daar moest je in vier jaar theologie doen. Ik heb de oude klassieke theologie nog gedaan maar wel in drie jaar. Een jaar korter dus want we moesten meer praktijk gaan doen. Om de klassieke theologie af te ronden met een praktijkjaar ben ik in het ziekenhuis van Brunssum als diaken aan de slag gegaan. Van ’68 tot ’69 leerde ik van de rector ter plekke ontzettend veel. Die man kon alles goed verwoorden en hele mooie gebeden maken. Per bed kon die man vanuit zijn hart iets neerzetten. Daardoor had hij een bijzondere band met de mensen. Toen hij ziek werd, heb ik twee maanden als waarnemend rector rondgelopen in het ziekenhuis. Ik was inmiddels tot priester gewijd. Dan moest je aan de bak als kapelaan. Dat werd ik in Echt.

Dat eerste jaar in Echt was voor mij een stagejaar. Ik moest bewijzen dat ik voldoende gevormd was. Het was 1969. Ik was benoemd in een parochie waar de pastoor en de kapelaan, mijn voorgangers, de eerste priesters waren die uit het ambt getreden waren. Ik werd verwelkomd door de nieuwe

pastoor, die een hele nieuwe opvang moest regelen. Hij moest de parochie weer vertrouwen geven. De kerk was onder zijn voorganger, die dus uit het ambt trad, gebouwd. Een prachtige nieuwe kerk. De kapelaan bleef achter. Een halve maand later trad ook hij uit. Toen kwam er een pater. Ook uit het ambt. De nieuwe pastoor, Houben, bleek een blijver en ik, de enige priester kandidaat die niet op het klein seminarie gezeten had, werd zijn herdershond. Met ons tweeën vormden we een hecht team. Acht jaar lang. De parochie groeide uit tot een echte streekparochie, iets als Vrangendael. Mensen kwamen er van heinde en ver naar toe. Dat was van 1969 tot 1977. Onlangs is die kerk toch afgebroken en dan zie je de pijn. Daar heb je acht, negen jaar van je leven aan gegeven en nu is er niets meer van over. Alles is weggebroken. Ik heb echter geleerd te kijken naar wat God eenmaal gezaaid heeft. Daar moet je niet zelf de oogst van willen binnen halen. Onze Lieve Heer haalt die oogst zelf wel binnen. Dat werk daar was niet tevergeefs.

In 1975 kwam Brunssum terug. Mgr. Gijsen was pas bisschop. De directeur van het ziekenhuis kwam mij vragen om terug te komen omdat de rector ernstig ziek was. Ik had kennelijk een goede indruk achtergelaten. Ik zou ook lid worden van de medische staf. Gijsen weigerde het verzoek van Brunssum. In 1977 werd ik benoemd tot kapelaan in Schaesberg. Cor Geurts, mijn huisgenote van nu, is met mij meegegaan van Echt naar de oostelijke mijnstreek. Ze was lerares Frans en is dat altijd gebleven. Steeds vanuit de kapelanie met de auto op en neer naar Roermond om les te geven. Ik heb daar grote bewondering voor.

In Schaesberg volgde ik Frans Wiertz op die pastoor werd in De Heeg. Ik zat midden tussen de mijnwerkers, waarvan de meesten in die tijd werkeloos werden. Vele huisbezoeken heb ik in die tijd afgelegd, dat was ook nodig. Samen met de koempels verbouwden we het parochiehuis. Alles in eigen beheer. Ik was daar ook godsdienstleraar op de Mavo. Zowel in Echt als in Schaesberg moest ik als kapelaan een gedeelte van mijn salaris mee terug verdienen door het geven van godsdienstlessen.

Na twee jaar werd ik pastoor in Herten bij Roermond. Dat was voor mij een aangename verrassing want ik was toen juist 10 jaar priester. Vroeger werd je pas pastoor vlak voor je zilveren priesterfeest. Samen met Franz Wierts was ik een van de jongste pastoors. 35 Jaar. Pastoor Rouwet van Maastricht, uit de parochie waar ik opgroeide, belde om te vragen hoe ik hem dat geleverd had om zo jong benoemd te worden. Het was de periode dat jonge priesters meer verantwoordelijkheid kregen. Het aantal priesters begon te minderen dus werd men vrij jong pastoor. De vijf jaren dat ik Herten vertoefde waren een mooie tijd. Ik had daar graag wat langer vertoefd. Daar zaten ook de huidige zusters van het ziekenhuis hier in Sittard. Die hadden daar een bejaardenhuis met zorginstelling. Ik las daar geregeld de mis. Met deze parochie had ik een goede band. Er was een prima koor. De parochie breidde zich uit. Financieel geen problemen.

In 1984 werd ik benoemd tot deken in Helden. Mijn voorganger daar was met ruzie weggegaan. Ook met de kapelaan kon hij niet door één deur. De kapelaan zat er nog. Te midden van dit geruzie waardoor de priesters ook niet op de scholen mochten komen, werd ik in die conflictsituatie pardoes deken, ondanks dat ik tegen de bisschop zei: “Ik kan dat niet.” “Probeer maar de zaak te verzoenen”, luidde de opdracht. Samen met mgr.Castermans, de toenmalige hulpbisschop, ben ik erna toe gegaan. Hij heeft me ook daar geïnstalleerd. Ik heb mogen meemaken dat de mensen de weg naar de kerk weer vonden. De ruzies werden bijgelegd. We konden weer naar school toe om les te geven. Happy time.

Na zes jaar Helden werd ik ineens deken van Venlo. Daar ben ik ruim tien jaar gebleven. Venlo is natuurlijk een stad. Een heel andere streek als Helden. Helden was meer dorps, meer een mooi karakter. Venlo echt een stad van “ lol en plezeer”. De afstandelijkheid tussen de pastoor-deken en de gelovigen was groter dan in een dorp als Helden. Ik heb echter in Venlo veel kunnen en mogen doen. Ik viel met mijn neus in de boter. De kerk daar lag helemaal ingebouwd in een vervallen wijk. Een verloederd gedeelte van de stad met een lege meisjesschool tegen de kerk aan. Ik heb daar een mooie face-lift kunnen geven aan die parochie. Samen met de gemeente en met grote steun van de burgemeester hebben we de kerk en parochie kunnen vernieuwen. Ook was ik er rector van de kapel van Onze Lieve Vrouw van Genooi. Die trekt veel bezoekers, zo iets als de Sterre der Zee in Maastricht.

Toen ik er een tijdje was, stierf de deken van Tegelen. Omdat de bisschoppen destijds allemaal in Rome waren heb ik hem moeten begraven. Ze dachten daarna zeker dat ik toch niets om handen had want ik werd deken van Venlo en Tegelen.

In 1994 heb ik mijn 25-jarig priesterfeest mogen vieren. Er kwam een nieuwe bisschop Franz Wiertz. De vorige had mij benoemd tot kanunnik. Zodoende wist ik van het reilen en zeilen van het bisdom. In het jaar 2000 heb ik tegen Wiertz gezegd: “Ik ben nu 57. Mag ik verkassen. Blijf ik nu in Venlo dan zit ik er tot mijn 75e, als ik gezond blijf. Dan ben ik meer dan 33 jaar deken hier en dat wil ik de mensen niet aandoen. Dan kun je me beter ergens in het zuiden pastoor maken. Ik hoef geen deken te worden.” Het antwoord luidde: “We kijken wel wat op je weg komt.”

Ben Janssen heeft bij het bisdom erop aangedrongen mij naar Sittard te zenden en dat is dus kennelijk gelukt want de bisschop stuurde mij naar deze stad. Sommigen beschouwen dit als een degradatie want Sittard is kleiner dan Venlo en daar was ik deken van Venlo en Tegelen. Zelf heb ik dit nooit als een degradatie gezien. Vroeger telde de voornaamheid van de plaats maar mij heeft het nooit uitgemaakt of ik nu hier of daar werkte.

Ik werd dus deken van Sittard. Toen kwamen al die parochies er achteraan. Ik ben nu pastoor-deken van zes parochies. Tel ze maar op. Pastoor van de Gemmaparochie in Sanderbout, van de Pauluskerk in het Limbrichterveld, pastoor van de H.Hartparochie in Overhoven ,van de Baandert, pastoor van Broeksittard en pastoor van de binnenstad. In Sanderbout en de Baandert staan geen kerken meer maar ik ben er wel pastoor. Daarnaast ben ik rector van de Basiliek.

Niet vragen hoe, gewoon doen al dat werk. Ik waak er tegenwoordig wel voor dat ik na 8 tot 10 uur werken op een dag er een punt achter zet. Vroeger deed ik dat niet. Nu stop ik echt. Ik ben nu 72. Af en toe is het wel pittig. Ik slaap soms slecht maar het gaat nog. Cor waakt wel over mij en waarschuwt bijtijds dat ik op moet passen. Ik heb ook nog een sterke steun aan de collegae priesters. Vergeet de emeriti niet zoals Kerkhofs, Ewals, de Rouw en al de jongere priesters die ik achter de hand heb. Die doen nog allemaal kleine diensten waardoor ik veel dingen niet hoef te doen. Ik weet wel dat het moet gebeuren.

Sedert kort heb ik twee kapelaans Peters en van der Wegen. Die zijn allebei specialist. Van der Wegen doet veel aan jeugd- en jongerenwerk en aan catechese. Peters doet veel aan zieke- en ouderenbezoek. Een nadeel zou kunnen zijn dat door te veel specialisme elementen uit het basispastoraat verwaarloosd dreigen te worden.

Cor zorgt ervoor dat ik nooit hoef om te zien naar wat er op tafel komt, naar hetgeen er gekocht moet worden, voor de was en verder alles waarvoor een vrouw des huizes zorg draagt. En dat doet ze buitengewoon goed. Zodat ik daar niet naar om hoef te kijken. Als ze in huis is, is ze tevens een hartelijke gastvrouw voor de mensen die aan de deur komen. Ze is een waakhondje in de zin dat ze me overal aan helpt denken. Zij kijkt over mijn schouder mee en dat is voor iemand die zo’n functie als deken bekleedt een veilig gevoel. Ze is met geen goud te betalen.

Het verenigingsleven draag ik een warm hart toe. Het zijn er eigenlijk teveel om overal acte de présence te geven. Consequent ga ik één of twee keer naar de Marotte. Elk Nieuwjaar komen zij naar mij en ga ik naar hen. Daarnaast probeer ik zoveel mogelijk naar de kerkbesturen en de mensen van de kerk TV te gaan. Een aantal kerkmeesters bezoekt namens mij vaak de vergaderingen. HIP vraagt ook veel aandacht. HIP is hulp in praktijk, pastorale hulp. Een van de catechisten verzorgt dat. De hulpaanvragen komen daar binnen en ik waak op de achtergrond mee. Zo geschiedt dat ook binnen het kerkbestuur. Verschillende mensen hebben een aantal portefeuilles. Zij waken namens mij. Dat is belangrijk. Ook bij de liturgie zijn er clusters die mee waken. Anders zou ik het niet bolwerken. Ik moet er echt van op aan kunnen. We hebben niet voor niets een keer in de twee jaar een bedankdag voor al die vrijwilligers en dat zijn er tegenwoordig ongeveer 140. Wat het Petruskoor betreft, daar ga ik een of twee keer per jaar naar toe. Ik word vaak uitgenodigd voor de jaarvergadering van verenigingen.

Het enige dat echt wel misloopt, dat gaat echter een beetje buiten mij om, is het ziekenbezoek, daar werkt de ziekenhuisdirectie niet meer aan mee. Mensen moeten het nu zelf aangeven maar dat doen ze niet. Dus krijg ik af en toe het verwijt dat iemand zes weken in het ziekenhuis gelegen heeft maar dat de deken hem niet bezocht heeft. Dan moet ik zeggen: “Helaas, als u het me gezegd had , dan was ik gekomen.

De oude structuur van vroeger is helemaal weg. We zijn in de moderne tijd terecht gekomen. Dat houdt in dat de mens zogenaamd zelfstandig is maar wel eenzamer. De structuur van de kerk was vroeger zodanig ingericht dat men die eenzaamheid met zijn allen kon delen. Elke zaterdag ging ik naar het ziekenhuis toe. Vanaf 2003 doe ik dat niet meer. Dat is ridicuul. Dat is de ziekte van onze tijd. Je hoort, ook in andere landen, dat de kerk als instituut steeds meer in de zijlijn geduwd wordt. Als leider van die kerk moet ik niet boos worden maar moet ik toch proberen de contacten te leggen. Daarom bezoek ik weliswaar niet alle verenigingen maar wel de senioren, de jaarvergadering van het kerkenwacht gilde, kortom voor mijn gevoel al die mensen die een grote bijdrage leveren voor de maatschappij.

Qua gemeente zit het in Sittard wel goed. De kerk heeft een goede band met het gemeentebestuur. Dat lag in sommige andere gemeeenten een stuk moeilijker. Natuurlijk zijn er punten van zorg. De gemeente doet niet precies wat ik wil en ik doe niet precies wat de gemeente wil. Maar afijn, dat gebeurt overal.

Over de toekomst van de binnenstadskerken wil ik kwijt dat het de bedoeling is de kerken open te houden. De bediening van die kerken door de priester staat onder druk. Niet alleen financiële zorgen voor de gebouwen maar ook de bediening. Men zou één priester moeten hebben voor de binnenstad, die drie kerken bedient. Dat kan de binnenstad helemaal niet betalen. Het is niet dat de mensen niet willen maar het aantal gelovigen dat aan de kerkbijdrage deelneemt, is in de loop der jaren door ouderdom en sterfte steeds minder geworden. Jonge mensen komen er niet bij. Die

kleiner wordende groep brengt evenveel geld bijeen als vroeger, toen de gemeenschap groter was. Daar zijn de mensen om te prijzen maar deze groep kan straks geen twee monumenten onderhouden. Als ze dan al één priester kunnen betalen moet die functioneren in vier a vijf parochies. De beminde gelovigen brengen dat geld echt niet op. Dat kunnen ze niet. Ik vind dat we echt in een missiegebied zitten. Een van de kerken zal wellicht dicht moeten of we moeten met de gemeente Sittard-Geleen een zodanige formule vinden dat in het kader van het cultureel erfgoed de kerken openblijven, waarbij de gemeente dan daar een verplichting aan koppelt dat zij dat mee financieren. Zij financieren dan niet de zielzorg maar de structuur van het gebouw. Dit is echter een droom van mij.

Officieel moet ik werken tot mijn 75e. Dan moet ik mijn ontslag aanbieden. Dan kan de bisschop zeggen: “Bedankt.” Maar hij kan ook zeggen: “Blijf alsjeblief nog even.” Dan zal ik dat doen mits ik gezond blijf. Maar dan moet ik niet de verantwoordelijkheid dragen. De mensen moeten het zelf gaan doen.

Als ik stop dan ga ik in Echt wonen als Cor dan nog leeft. Als dat niet het geval is, kan het zijn dat ik in Sittard blijf. Deken Janssen is ook in Sittard blijven wonen en daar heb ik totaal geen last van gehad. Als ik hier blijf hoop ik terecht te komen in een verzorgingshuis waar ik een eigen plek heb. Ik kan me ook voorstellen dat ik in Maastricht ga wonen.

Ik ben van mening dat mijn opvolger een immense taak krijgt omdat alles wat wij hebben kunnen opbouwen dan afgerond gaat worden. Dan komen Leyenbroek en Munstergeleen er nog bij. En dat met één priester en één of twee assistenten. Kerken als de Andreaskapel zijn een goed voorbeeld. Grote gebouwen onbetaalbaar.”

We hebben samen nog veel meer zaken besproken. Ook zaken die niet binnen het bestek van dit tijdschrift vallen. U kunt te allen tijden bij Marijke die teksten opvragen. Ik ben aan het einde gekomen van wat ik u mag aanreiken.

Mgr. Wilbert, bedankt. Baer Smit