De oorlogsjaren 1940-1945 op het Kerkplein. Fer Mennens

In de vroege ochtend van 10 mei 1940, een prachtige, stralende en zonovergoten lentedag met strakblauwe luchten werden wij gewekt door een aanhoudend zwaar gebrom in de lucht. Nog suf van de slaap liepen wij naar het raam en keken naar buiten. We waren ineens klaarwakker!

De lucht was vol bombardements- vliegtuigen, die vrij laag overvlogen. Ze kwamen uit de richting basiliek en vlogen in de richting Maastricht. Ook Pap was intussen wakker geworden en kwam eens kijken. Om op alles voorbereid te zijn begon hij zich maar te scheren. Onze eerste gedachte was dat de Duitsers, want aan de zwarte kruisen op de vleugels

konden we zien dat het Duitsers waren, op weg waren naar Engeland om daar te bombarderen.

Maar die illusie werd al spoedig daarna, zo rond 4 uur, verbrijzeld door een enorme ontploffing. Het hele huis daverde en stond te schudden op zijn grondvesten. Later hoorden we dat Nederlandse soldaten de munitie-opslagplaats onder de Dominicanenwal bij het klooster Franciscus Solanus hadden opgeblazen.

Stiekum, zonder dat pap het in de gaten had gingen we naar buiten. Op het Kerkplein was het doodstil en was er niets te zien. We gingen voorzichtig een stukje verder tot aan het Kerkstraatje. Daar zagen we het……………met het geweer in de aanslag lopen de eerste Duitse soldaten langs de huizen van de Limbrichterstraat op weg naar de rijksweg. Met de kreet:”Pap, de Puuse zeen dao” renden wij naar huis terug en toen was het binnenblijven geblazen. Via de radio hoorden we dat Nederlaand officiëel de oorlog aan Duisland had verklaard wegens de zojuist begane schending van onze neutraliteit. Tegelijkertijd werd het ons ook duidelijk dat, hoewel er overal dapper gevochten werd, de overmacht aan manschappen en materieel zo groot was, dat ons leger niet bij machte zou zijn de Duitsers tegen te houden. Toen alles verder rustig bleef mochten we een tijdje later even gaan kijken in de Limbrichterstraat.

Daar ontrolde zich voor onze ogen een nog nooit eerder gezien schouwspel. In een eindeloze rij trok het Duitse leger voorbij: zwaar bewapende soldaten, tanks – door ons nog nooit eerder gezien – gevechtswagens, veldkeukens, kanonnen, grote groepen van allerhande legervoertuigen, maasa’s paardens, deels trekpaarden deels behorende bij de cavalarie.

page1image553160304

1

1

Dit alles trok in een niet ophoudende stoet aan onze verbaasde ogen voorbij. Zo gauw de zaak vastzat renden de soldaten de welvoorziene winkels binnen om daar te kopen wat er maar te krijgen was. Vooral siagretten en sigaren, chocolade en ander snoepgoed. Want al deze artikelen waren in Duitsland al heel lang streng gerantsoeneerd en vaak heel schaars verkrijgbaar.

Dit waren de stommeriken zelf schuld! Ze hadden immers op de vraag van hun Führer:”Was wollen Sie Kanonen oder Butter?” als één man geschreeuwd: Kanonen, mein Führer.”

Later zijn we op de Engelenkampstraat en Rijksweg gaan kijken. Daar was de doortocht nog massaler. Voor op de tanks stonden grote borden met daarop in grote letters geschilderd: “Nicht schieszen, wir kommen als Freunde.” Maar ook toen al waren we ervan overtuigd dat dit een perti- nente leugen was

Bij het postkantoor stond de eerste dagen een mobile drukkerij. Daar werden z..g Kaufscheine gedrukt waarmee de soldaten in de winkels konden kopen. Deze S cheine waren zoals er op vermeld was gegarandeerd door de Duitse bank en inwisselbaar op elke bank. Maar enkele dagen later bleek dat dit helemaal niet klopte. De Scheine waren volkomen waardeloos. De eerste van vele nog volgende roofpartijen door de moffen!!!!!

De doortocht van de legers duurde nog vele dagen en nachten. Tenslotte was er geen plekje in onze stad dat niet “Feldgrau”was.

Het terrein bij de Wal aan de Deken Thijssenstraat, rechts en links tot bij garage Cartigny (nu Ligne) was nog helemaal onbebouwd. Daar werd bij de opgang naar de wal een veldkeuken geplaatst. Daar gingen we natuurlijk ook eens kijken en we konden zien hoe de soldatenkost bereid werd.

Bij ons was toen ook een jongen die nogal stotterde. Hij had van thuis een kannetje melk meegenomen.

Hij ging op een soldaat af en vroeg in zijn beste duits: “Mô…mô….mô….môssie mi…mi.. milschj ha..ha..ha…habe? Sindsdien heet hij: Mossie. En bij bekenden heet hij nog altijd zo.

Onder de bedrijven door had pap ons al een paar keer naar Gusta Pfennings om brood en naar Lisa Winkens om koloniale waren gestuurd. Je moest zorgen, zo vond hij, dat je een voorraadje levensmiddelen had want je wist maar nooit wat er de komende dagen nog zou kunnen gebeuren.

page2image630320608

2

2

Hier hadden echter nauwelijks oorlogshandelingen plaatsgevonden en daarom deden zich bij de voedselvoorziening vooralsnog geen ernstige problemen voor.

Er verschenen meteen Duitse verordeningen. Er werd een zg. Spertijd ingesteld. Na acht uur s’avonds en voor 7 uur s’morgens mocht zich niemand meer op straat bevinden tenzij hij of zij een speciale vergunning had. Ook mocht er, op straffe van zware boetes, na zonsondergang geen licht meer uit de huizen naar buiten schijnen. De ramen moesten verduisterd worden. Gelukkig hadden wij zware overgordijnen, waardoor wij niet met verduisteringspapier hoefden te prutsen. Toen begonnen de jarenlange donkere nachten zonder ook maar een spatje licht.

Ook zaterdag 11 mei bleef de drukte de gehele dag en de gehele nacht voortduren. Zaterdagaond 11 mei kreeg iedereen aangezegd dat zich op Pinksterzondag, vroeg in de ochtend , een militair van hogere rang bij ons zou vervoegen. Deze militair had op een van veel stempels voorzien stuk papier onze naam en adres staan. Wij waren verplicht ervoor te zorgen dat er op zondagmorgen klokslag 8 uur een stevig ontbijt voor de betreffende militair klaar stond.

In de week voor Pinksteren had pap bij Wolff en Herzdahl een sjiek beige geruit tweed costuum met pofbroek voor me gekocht. Ik had me al de hele tijd verheugd dit pak met Pinksteren voor de eerste keer te kunnen dragen. Maar daar kwam nu niets van in! “Stel je voor”, zei pap, die Mof zou dan vast en zeker denken dat hij bij rijke mensen was waar van alles te halen viel. Wie weet wat er dan allemaal wel zou kunnen gebeuren.

Na de capitulatie van Nederland op 14 mei 1940 werd het rustiger in de stad. Het Duitse leger concentreerde zich nu op België en Frankrijk. Langzamerhand ging het leven weer zijn gewone gang en iedereen ging weer aan het werk.

In het midden van de Pinksterweek werden in en rond het Park de lijnen van de Duitse veldtelefoons doorgesneden. Dat moesten de burgers bezuren. Van elke straat moesten de mannen tussen 21 en 50 jaar ‘s nachts de veldtelefoonlijnen gaan bewaken. Ook pap, Mathieu, Nicol en Marteng Cobben, George Kasteleijn en Math Wehrens vormden zo’n groep. Zij moesten ‘s nachts het stuk tussen de melkfabriek Sint Rosa en de zonnewijzer bewaken. Dit moesten ze verschillende nachten achter elkaar doen, net zo lang totdat het leger helemaal doorgetrokken was en de veldtelefoons niet meer nodig waren. Dat was me wat!! Met de moed der wanhoop vertrokken ze iedere avond, goed voorzien van eten en drinken sigaren, sigaretten en tabak om tegen de morgen rond een uur of vijf weer terug te keren.

Geleidelijk aan begonnen we toch te merken dat we bezet gebied waren en dat we totaal niets meer in te brengen hadden.

page3image618489184

3

3

page4image627296160

Zodra je 15 jaar werd was je verplicht een persoonsbewijs aan te vragen. Dit moest je eigenlijk altijd bij je hebben om je te kunnen legitimeren dmv foto of vingerafdruk. Eigenlijk was het idee om een persoonsbewijs in te voeren veel en veel gemener. Men (de bezetter)

ging het gebruiken bij geplande vernietiging van onze Joodse Nederlanders.
Iedere Jood kreeg een bepaald kenteken op zijn persoonsbewijs in de vorm van een grote J

Onze regering had, wijs geworden door de Eerste Wereldoorlog 1914 – 1918, grote voedsel- voorraden aangelegd. Deze voorraden verdwenen geleidelijk aan voor het overgrote deel over de grens “in die Heimat.” Dat betekende, mede door het wegvallen
van de aanvoer van overzee, dat het voedsel hier schaars begon te
worden.

Er kwam distributie.

Iedereen die in he t bevolkingsregister van de gemeente voorkwam moest op het in allerijl opgezette distributiekantoor een stamkaart gaan afhalen. Op die stamkaarten werden regelmatig bonkaarten verstrekt waarop allerlei goederen gekocht konden worden.

Wij kregen o.m. bonkaartev voor: Brood—–Melk—–Vlees,

page4image627076688 page4image627077472

4

4

Algemeen (waarop alle kruidenierswaren gekocht konden worden) Snoepkaarten—–Tabakskaarten—–Textielkaarten.

Bij het verstrekken der kaarten werd rekening gehoudenmet de leeftijd van de betrokkenen. Ook werkomstandigheden speelden soms een rol.

Zo waren er A _ B _ C _ en D kaarten.

Kleine kinderen kregen bv een groter melkrantsoen. Mensen die zware arbeid verrichtten zoals mijnwerkers kregen ook grotere rantsoenen.

Eenmaal per 14 dagen werden de nieuwe rantsoenbonnen bekend gemaakt door het aanwijzen van nieuwe bonnummers. Waren de bonnummers na een tijd allemaal gebruikt, dan moesten er weer nieuwe kaarten op het distributiekantoor worden afgehaald.

Maar dit was nog lang niet alles wat op de bon was.
Er waren:
schoenbonnen – kolenbonnen – schoenreparatiebonnen – fietsbandbonnen – houtbonnen enz.

Had je bv nieuwe schoenen nodig dan moest je eerst een extra aanvraagformulier invullen en ter goedkeuring op het distributiekantoor inleveren. Na veel vijven en zessen kreeg je dan uiteindelijk een schoenbon, waarmee je nieuwe schoenen kon gaan kopen. Je had recht op één paar schoenen per jaar. Om de schoenen te laten verzolen moest je schoenreparatiebonnen sparen. Had je er genoeg, dan kon je je schoenen laten repareren. Alle reparatiematerialen waren surrogaat-materia- len. Ze stonken als de ziekte. Daarom waren in die tijd stukken oude transportband heel erg geliefd. Die banden waren nog wel zo stevig dat je op een paar zolen hieruit gesneden heel lang kon lopen. Had je voor je beroep zoals bv. postbode, politieman etc. meer schoenen per jaar nodig, dan moest je werkgever daarvoor een aanvraag indienen.

In de loop van de jaren werd de kwaliteit van de schoenen steeds slechter. Er kon steeds minder leer gebruikt worden want alle leer was nodig voor de oorlogsindustrie (moffenlaarzen).

page5image630602512

5

5

In de laatste 2 oorlogsjaren hadden de meeste nieuwe schoenen houten zolen. Veel mensen- vooral kinderen – zijn toen klompen gaan dragen. Klompen waren een van de weinige artikelen die niet op de bon waren. Het beroep klompenmaker kwam hierdoor weer in zwang.

Toch was het al met al een gouden tijd voor de schoenmakers. Iedereen bleef namelijk zo lang als maar enigszins mogelijk was met zijn vooroorlogse schoenen lopen. Ging het bovenleer stuk, dan werd er doodgewoon een halfrond stukje een zg “hoef” opgezet. Op de zolen voor bij de neus van de schoen werden ijzeren plaatjes geslagen om de slijtage te verminderen. Onder de hakken kwamen hoefijzers. En het kwam steeds vaker voor dat onder de zolen kopspijkers met dikke pyramidevormige loop-koppen werden geslagen.

Fietsbanden kreeg je alleen maar als je een vergunning had om met een fiets te mogen rijden zolas bv dokters, winkeliers om de bestellingen rond te brengen, mijnwerkers, boeren, politieagenten enz.

De gewone burger had zijn fiets moeten inleveren. Natuurlijk weer voor het Duitse leger. Dit had vanzelfsprekend haast niemand gedaan en als men het al deed dan leverde men een totaal opgereden en verroest exemplaar in. De goede fietsen werden helemaal uitelkaar gehaald en veilig opgeborgen.

Toch vonden slimmeriken ook hier weer iets op. Men verving met behulp van een overloopstuk het woorwiel door een wiel van een step.

Of men legde massieve banden gemaakt van oude outobanden of van hout rond de velgen. Weer anderen haalden de banden van de fiets en reden op de velgen. Al dit soort vehikels wilden de Moffen natuurlijk niet. Het gevolg was dus dat men op de op deze manier behandelde fietsen veilig kon rijden.

Maar ook van mensen met een officiële vergunning werden de fietsen vaak genoeg afgenomen. Niemand of niets was meer veilig.

Metalen waren al helemaal schaars.

Het kwam zelfs zover dat de Moffen de klokken uit de kerktorens roofden en omsmolten tot kanonlopen enz.

Ook de mensen moesten hun tinnen en koperen voorwerpen inleveren; ook de kostbare antieke stukken. Maar vreemd genoeg hadden de mensen opeens geen tinnen of koperen voorwerpen meer in huis. Alle mooie spulletjes werden goed verstoptonder vloeren, ingemetseld in muren of goed ingepakt begraven in de tuin.

Zo heeft Mahieu Cobben bv alle tinnen en koperen

page6image630976480

6

6

voorwerpen van de families Cobben-Mennens en Schmeits tussen de vloeren van huize Cobben weggestopt.

Na de oorlog kwam alles weer in ongeschonden staat te voorschijn en prijkte weer in volle glorie op kasten en schoorsteenmantels.

Ook de radio’s moesten worden ingeleverd. Want al direct na de capitulatie in mei 1940 Begon de Engelse zender BBC berichten voor de bezette gebieden uit te zenden. En deze berichten kon je geloven. De Nederlandse radio en Pers waren volledig gecensureerd en mochen alleen maar door de Duitsers goedgekeurd nieuws verspreiden. Maar …..ook deze radio’s verdwenen spoorloos. Deze verplichte inlevering mislukte totaal. Maar stiekem werd er volop naar de Engelse Zender geluisterd.

Maar het was wel oppassen geblazen. Want collaborateurs zoals de NSBers schrokken er niet voor terug zich bij de moffen beschikbaar te stellen om stiekem aan de ramen te gaan luisteren of men de zender hoorde.

De Engelse Zender was duidelijk herkenbaar omdat hij zwaar gestoord werd door de Duitsers. Werd je gesnapt dan stonden je zware straffen te wachten zoals langer concentratiekampstraffen.

Regelmatig werden de rantsoenen verlaagd tot uiteindelijk de grens van het toelaatbare bereikt was: het minimumaantal calorieën dat een mens nodig heeft. Heel veel bloementuinen werden daarom omgespit om de grond te benutten voor groente- en aardappelteelt ter aanvulling van de rantsoenen.

Sinaasappels – bananen – pinda”s – pindakaas – kauwgum – citroenen – tropische specerijen – zuiver wittebrood en echte chocolade waren zaken waarvan we ruim vier jaar verstoken bleven.

Toch zijn wij de oorlog ondanks de distributie redelijk goed doorgekomen. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te wijzen:

1: Dagelijks konden we bij Opa Schmeits het vlees voor bij het middageten gaan halen. Doordat de zaak toen ter tijd nog een commanditaire vennootschap was – moeder was dus mede-ven- noot – was het zo geregeld dat de vennoten ipv de jaarlijkse winstuitkering dagelijks hun portie braadvlees konden komen halen.

De slagerij verkocht alleen rund- en kalfsvlees. Geen varkensvlees dus.

page7image634482912 page7image634483696 page7image634484000

7

7

Boterhambeleg werd gekocht bij slagerij Kleynen op de Brandstraat.

Was de week om, dan kreeg Tant May de vleesbonnen. Was er niets aan de hand dan kreeg ze de bonnen mooi in het handje. Had mam vleesbonnen omgeruild voor bv textiel bij Tina, dan wachtten we tot de bonnendoos op tafel stond en dan kieperden we daar dan de bonnen in. Dan kon Tant May onmogelijk controleren of we ze ook wel allemaal ingeleverd hadden.

Bij Guusta Pfennings kregen we veel meer brood dan waarop we volgens de bonnen recht hadden. Maar ook bij deze bonnen gold de ijzeren regeL: hoe minder bonnen je op het Distributiekantoor inleverde hoe minder detaillistenbonnen kreeg je en hoe minder meel kon je als bakker bij de groothandel bestellen. Maar ook daar werd weer wat op gevonden.

Door zijn werk op het stadhuis kende pap nogal wat boeren, bij wie hij regelmatig wel een zak tarwe op de kop kon tikken. Die tarwe moest bij de boer opgehaald worden. Maar dat ging zo maar niet, want de Duitsers en niet te vergeten de landverraders, die smerige N.S.B.ers, waren tuk op illegale voedseltransporten. Alles wat verdacht leek werd afgenomen. Hoe wisten wij dan een eventuele controle te vermijden?

Vader kende Guus Laudy van de molen aan de roeivijver heel goed. Deze Guus had een door waterkracht gedreven meelmolen en houtzagerij. Wij leenden van Opa Schmeits het vleeswagentje waarmee ze het vlees naar het ziekenhuis brachten en gingen daarmee naar Guus Laudy. Daar werd het wagentje goed volgeladen met spinthout (de afval van de gezaagde boomstammen). Met dat wagentje vol “brandhout” gingen we vervolgens naar de boer. Op het erf werd de zak met 50 kg tarwe goed onder het

brandhout verstopt. Alles werd stevig vastgebonden en naar Guus Laudy gebracht en dan gingen we met een kar vol brandhout naar huis terug. Een week later, na het malen van de tarwe gingen wij deze afhalen en weer verstopt onder een stapel brandhout ging het dan langs de beek naar huis terug. Vervolgens werd de gemalen tarwe van tijd tot tijd in kleine linnen zakjes naar Gusta Pfennings gebracht. Elke kg meel betekende twee grote broden van 600 gram. Met zo’n zak van 50 kg konden we weer een tijdje vooruit. Ook gebeurde het vaker dat Guus Laudy voor ons een zak tarwe op de kop wist te tikken. Dan was de te volgen procedure een stuk eenvoudiger: slechts een maal op en af!

3: De melk kregen we bij de boer Damoiseaux, die in het Gruizenstraatje, vlak bij Den Tempel, een boerderij had. Een van de weinige historische stadsboerderijen. Hier leverden we alle melkbonnen in. Volgens afspraak konden we iedere dag met de grote witte geëmailleerde melkkan 10 liter melk halen. Dit was direct na 12 uur het werk van Jopie. De melk die we kregen was volle onafgeroomde melk. Later werd, omdat steeds meer melk naar Duitsland vervoerd werd, het melkrantsoen

page8image634901344

8

8

drastisch verlaagd. Toen kregen we door het grote aantal kinderen dat ons gezin telde extra bonnen voor taptemelkpoeder.

Zo bleef ons melkrantsoen toch op peil. Wat hebben we in die jaren havermout- en later meelpap met caramelsurrogaat moeten eten!

Het Gruizenstraatje

4: De kruidenierswaren kregen we bij Liza Winkens, Begijnenhofstraat 1. Hier waren we vanaf 1926 al een goede vaste klant. Bovendien kwam pap er regelmatig om Hubert en Liza met de belastingpa- pieren en de boekhouding te helpen. Liza zorgde al direct bij het begin van de oorlog voor een voorraad van de meest noodzakelijke dingen zoals: rijst, puddinpoeder, koffie, suiker, waspoeder, groene zeep, vaten vol!!), cacao, blikken met groenten, toiletzeep, sunlightzeep enz. Al dit spul moest goed en vooral veilig opgeborgen worden op een niet in het oogvallende plek, want “hamsteren” was streng verboden. Ook in de volgende oorlogsjaren heeft Liza er steeds voor gezorgd dat wij regelmatig extra’s kregen toegestopt zoals kaas, boter, melkpoeder, blikgroenten, erwten, bonen, havermout, griesmeel, zeep stroop, kaarsen, lucifers enz.

Ook bij Liza gingen we evenals bij tant May en Tant Guusta wekelijks distributiebonnen plakken. Uren en uren lang, want Liza had een drukbeklante zaak. Maar we gingen maar wat graag, want er

viel altijd wel wat lekkers te smikkelen.

5: Omdat pap een fervent sigaren en pijproker was bracht de tabaksvoorziening toch wel de nodige problemen met zich mee.

Pap had de beschikking over twee bonkaarten: zijn eigen rookkaart en die van mam. Want dames mochten in die tijd kiezen tussen een snoep- en een rookkaart. Mam, trouwe echtgenote als ze was, koos vanzelfsprekend voor een rookkaart! Die twee bonkaarten leverden per week een pakje pijptabak op. En dat was maar al te gauw op.

Een hoogst enkele keer lukte het wel eens snoepbonnen te ruilen voor tabaksbonnen. Maar dit lukte maar hoogst zelden, want in tabakskaarten werd een lucratieve zwarte handel gedreven.

page9image627609120 page9image627609904

9

9

Snoepkaarten werden bij ons nauwelijks gebruikt. Want net zo goed als je op suikerbonnen snoep kon krijgen, net zo goed kon je op snoepbonnen suiker krijgen. En dat gebeurde dus. Want een extra rantsoen suiker was, door de vele pap die wij noodgedwongen moesten eten altijd welkom.

Maar nu terug naar de zo felbegeerde tabak. Pap had een goede kennis, eigenlijk nog een heel klein beetje familie: Sjeng Colaris. Sjeng was gehuwd geweest met de dochter van Tant Marie Mersmans op de Steenweg, een achternicht van Pieter Hubert.

De vrouw van Sjeng was kort na de geboorte van haar derde kind, Mia, overleden. Tant Marie heeft Sjeng altijd schuldig bevonden aan de dood van haar enigste dochter. Zij heeft Sjeng na de begrafenis van zijn vrouw nooit meer willen zien of spreken.

Tant Marie woonde op de Steenweg op de plek waar nu de toegang is tot de parkeerplaats. Ze had een prachtige grote tuin die practisch tot aan de paats waar nu de gebouwen van het CZ liggen reikte. Sjeng Colaris had op zijn beurt een zeer grote tuin aan de Wilhelminastraat. Hij lag een goede honderd meter uit de straat aan de rechter kant (van het station gezien) tegenover waar nu de schouwburg staat.

In die tuin werd vanaf het voorjaar 1941 tabak geteeld, de zg. “eigen teelt.” Ook pap kocht ieder jaar een hele rits tabaksplanten. Deze planten werden op een bepaalde afstand van elkaar in de tuin uitgezeten tot en met vertroeteld. Regelmatig haalde Sjeng uit de beerput van zijn huis aan de Bergstraat enkele flinke emmers str….d en trok daarmee naar de tuin aan de Wilhelminastraat. Daar aangekomen werd de str…d verdund met regenwater en vervolgens gaf Sjeng elke plant een secuur afgemeten kopje str…d.

Begon de plant te bloeien, dan moest er onmiddellijk de top eruit gesneden worden want zaadvorming was funest voor de tabakskwaliteit. Dan moest de plant tot medio augustus doorrijpen. Eind augustus kon er geoogst worden. Alle bladeren werden voorzichtig van de stengels afgehaald en vervolgens op grootte opgestapeld. De onderste kleinere bladeren, de zg. zandbladeren werden apart gelegd en konden na droging zonder verdere bewerking gerookt worden. Dit waren eigenlijk de enigste bladeren die naar tabak roken en smaakten. Maar als je inhaleerde, dan tolde wel de hele wereld rondom je!

Voorzichtig werden de bladeren op het beroemde karretje van Opa Schmeits geladen, goed afgedekt en naar huis gebracht.

Dan begon het grote werk.

In het dik van de stengel onder aan het blad moest door en door een snee gemaakt worden tot precies aan het begin van het blad.

page10image635283504 page10image635284288

10

10

Vervolgens werden de bladeren op dunne bamboestengels geschoven, waarbij gezorgd moest worden dat er tussen elk blad wat ruimte openbleef. Was de stok vol, dan werd hij onder het sjop horizontaal onder de balken opgehangen. Dit gebeurde net zo lang tot alle bladeren verwerkt waren. Regelmatig moesten de bamboestokken verwisseld worden om een zo regelmatig mogelijke droging te verkrijgen. Waren de bladeren door en door droog dan werden ze in bundeltjes op zolder opgehangen. Iedere avond werden door pap enkele bladeren naar beneden gehaald. Met een schaar werden ze in zo smal mogelijke reepjes geknipt. De dikste stukken stengel en bladnerven werden verwijderd. Dan werd de “tabak” in een ketel kokend water gestopt en even doorgekookt, afgekoeld, eruitgehaald, uitgedrukt en op een vlaplaat in de oven gedroogd. Dan was de tabak gebruiksklaar. Als je zag hoe donker het water gekleurd was na het koken, dan zou toch eigenlijk de zin op een pijp moeten overzijn. Maar niets hoor. Genietend werd de eerste pijp opgestoken. Misschien smaakte de pijp wel goed, maar ze rook als de ziekte.

De laatste oorlogsjaren konden we de gedroogde tabaksbladeren naar de sigarenfabriek Spronken te Beek brengen. Daar werden de bladeren gefermenteerd en gesausd. Een tijdje later kreeg je dan

-tegen betaling natuurlijk – de tabak netjes in pondspakken verpakt terug. Een hele verbetering. Ook op het stadhuis waren er veel problemen door het roken.

Pap, Sjaak Offermans, Sjeng Janssen -de ontvanger-en Sjang Leinarts (bijgenaamd de Muis) zaten heerlijk eigen teelt te stoken. Winand Kissels en Karel Hendriks waren niet rokers. Die zetten natuurlijk alle ramen open. Maar dan kwam er een nog veel ergere stank naar boven. Vlak onder paps kantoor lag de burgemeesterskamer. Daar zetelde de N.S.B.-burgemeester Marius Welters. Deze rookte kamiillenthee. Dus werd dan maar in arren moede de kantoordeur opengezet. Maar ook daar stonk het. Want de loketbezoekers rookten ook alles wat ze maar konden bemachtigen: van eigen teelt, Belgische shag, en Consi (de oorlogssigaret) tot kauwstangen toe.

Toch zijn we wat dat betreft de oorlogsjaren gezond en wel doorgekomen.

6: Ook alle textiel was op de bon. Wilde je op enig moment tex- tielgoederen kopen, dan had je de zg. Textielp unten van de textielbonkaart nodig. Deze bleven altijd lang geldig, want als je grote stukken wilde kopen zoals lakens, dekens, costuum of jurk dan moest je punten sparen.

page11image635406944