Algemeen Handelsblad 7-02-1932

IN HET HOERAERIEK VAN VORST MAROT. Gouden feest van zotternij

Vastenavond en folklore. – Narren in verdrukking. – Sittard In zak en asch.

Men moet lang In ons Zuiden hebben geleefd om goed te begrijpen wat Vastenavond en carnavalsvereenigingen voor de bevolking beteekenen. Over Carnaval zelf berichtten wij vroeger reeds het een en ander, nu iets over de carnavalsvereenigingen en de plaats, die ze In het volksleven innemen.

Of er een historisch verband Is te leggen tusschen de narrengezelschappen uit de Middeleeuwen en onze Carnavalsvereenigingen. In zoover die nog bestaan, zullen we hier niet onderzoeken. Vermoedelijk is dit wel het geval en zal de oorsprong in het Rijnland te zoeken zijn, van waaruit In de Middeleeuwen eens de groote Narrenwagen naar Limburg en Vlaanderen trok. De moderne historie der Carnavalsvereenigingen in Limburg begint bij de Sociëteit Momus te Maastricht, waaruit voortkwamen Jocus te Venlo, Flarus te Roermond, de Marotte te Sittard en oog een paar kleinere vereenigingen als de Potentoaten te Beek. Momus veranderde in den loop der jaren iets van karakter, werd bovenal een sociëteit, met liefdadige onderafdeelingen. Andere gezelschappen verliepen, alleen de Sittardsche Marotten bandhaven tot heden nog zuiver hun karakter als Carnavalsvereeniging. Toch moet men zich zulke organisaties niet voorstellen als uitsluitend actief tegen den Vastenavond; ze beteekenen meer. De Maastrichtsche Momus b.v. stichtte een Oud-Mannenhuis, een Soepkokerij, enz.: de Sittardsche Marotten verleenden hunne medewerking aan feesten van liefdadigen, nationalen en zelfs religieuzen aard. Zoo kon het eenige jaren geleden gebeuren, dat in vollen zomertijd het hoofd der Sittardsche geestelijkheid vorst Marot bedankte voor de medewerking aan een viering van godsdienstigen aard verleend. Hieruit blijkt wel, dat zulke organisatie iets bijzonders van het volk vertegenwoordigt.
Deze Marotten bestaan nu vijftig jaar. Zooals de Venlosche Jocus ontstond uit het Maastrichtse Momus, werd het Sittardsche Narrengilde uit de Venlosche vereeniging geboren. Het lidmaatschap daarvan en het vervullen eener actieve functie In zulke organisatie vond men vooral vroeger niet beneden de waardigheid van een deftig en verstandig mensch. Zoo hadden de Marotten als hun vorst o.a. gedurende zekeren tijd een katholiek Kamerlid. Sindsdien is er wel iets veranderd: vooral In de laatste jaren wordt immers tegen carnaval een stille, doch felle strijd gevoerd. Niettemin de Marotten vieren bun vijftig- jarig jubileum. Vijftig is eigenlijk een veel te helder getal voor een carnavalsvereeniging, die met veelvouden van elf rekent. Een halve eeuw beteekent echter ook wat!
Er zou dit jaar een gedenkboek zijn uitgekomen, dat voor de vrienden van folklore zeker belangrijk ware geweest. Men had erin kunnen lezen, hoe dit gilde ontstond, met de bedoeling do carnavalsviering te veredelen en het vreemdelingenverkeer te bevorderen, welke fantastische en snaaksche dingen het zooal uitvoerde, wat voor luisterrijke en grappige stoeten het organiseerde en welke betekenis het had in de folklore van ons land. De gemeenteraad had al een subsidie van fl.1000 toegestaan, doch het provinciaal bestuur keurde dit raadsbesluit niet goed. Om de vroolijke jubilarissen het plezier nog wat verder te verzuren werd den Marotten de toestemming onthouden tot het organiseeren van een fakkeloptocht met herauten. Men had er zich zooveel van voorgesteld, fakkels vandriekleurig licht: rood, geel, groen; met carnaval zelf de Gilles van La Louvière in den grooten stoet…..het mocht niet zoo wezen!

Het Hoeraerijk van Vorst Marot heeft een eigenaardige constitutie. Aan het hoofd ervan staat Vorst Marot, voorzitter van den Raad van Elf, (het gekkengetal), verdere functionarissen zijn een protocolist en een schatmeester. Als andere waardigheidsbekleeders noemen we nog de ridders in de Orden van “de boentje Pappegei” (bonte papegaai), de “Kreeenden Haan” (kraaiende haan), de “ Bökende Äzel” (balkende ezel), Deze onderscheidingen worden verleend aan diegenen, die zich ten opzichte van vastenavond of van de Sittardsche taal bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. De gewone onderdanen In dit rijk heten “Hoeraes”, met welk vreemd woord, waarvan wij geen afleiding konden vinden, vastenavondgekken of gemaskerden worden aangeduid.

Een heel bijzondere positie neemt Prins Carnaval in. Deze wordt gekozen door den Raad van Elf uit de ongehuwde Jongelui van de plaats. Bij zijn Installatie wordt hem de Marottekap met de twee hooge veeren op het hoofd gezet en den prinsenstaf met papegaai overhandigd. Op het z.g. Marotte-Prinsenbal geschiedt de bijzondere huldiging, die niet alleen bestaat In het werpen van confetti en serpentini, ook in vele omhelzingen en schuchtere zoentjes door het schoone geslacht Als dank voor de huldiging pleegt de prins te trakteeren op dat eigenaardig gebak, dat men nonnevotten noemt.

Zijn grootste glorie beleeft hij natuurlijk met carnaval zelf. Zondags wordt hij ingehaald per zegekar van Romeinsch model, getrokken door vier paarden. In den grooten optocht, die ‘s Maandagsmiddags trekt, Is hem de eereplaats toebedeeld op den laatsten en schoonsten praalwagen. In de goede dagen van de Marotte werd de prins bovendien officieel op het stadhuis ontvangen. De vroegere burgemeester van Sittard wilde daar eerst niet aan maar toen hij eens een ontvangst, door een der wethouders had afgezien, verzwonden zijn bezwaren. Zulk medeleven door autoriteiten wordt door de bevolking steeds zeer gewaardeerd.

Om tegen Vastenavond de stemming op hoog peil te krijgen worden weken van tevoren, naar Rijnlandsch model al Sitzungen gehouden. Men repeteert en er dan carnavalsliedjes van het jaar, humoristen bestijgen een soort Middelleeuwschen narrenkansel, gemaakt van een opengebroken ton, de protocolist leest berijmde, plaatselijke toestanden hekelende verslagen voor, men vertoont vroolijke parodies en revues, kortom de zotternij viert hoogtij. De Marotten jubileeren, misschien met een bezwaard gemoed. Om onbegrijpelijke redenen heeft men dit voor Limburg zoo typische gilde wel wat erg ongemoedelijk behandeld en gehinderd bij de viering. Bovendien verbood de gemeenteraad (die er nu al erge spijt van moet hebben) het maskeeren, waardoor carnaval dil jaar In verdrukking raakt. Uit moedeloosheid en als protest trekt b.v. de bekende optocht al niet uit. Het zou anders juist dit jaar juist de elfde geweest zijn! Nu heerscht er In plaats, van vroolijke verwachting, wrok en verslagenheid en men filosofeert over ‘s werelds ondank, vergelijkende de eervolle ontvangst te Arnhem op het groote folkloristische feest in 1919, waar de Marotte van den burgemeester van Gelre’s hoofdstad een eerebeker mochten ontvangen, met ondervindingen uit de laatste maanden. Niet dispereeren brave Marotte. Zelfs de narren zal men niet altijd verdrukken. Eenmaal wordt ook weer waar het slot uit het liedje van 1885:

Vivat Marotte, veer laoten hoog uch laeve, Soolang es zich oos schtedje Sitterd nuimt
E volgend jaor zal dan den Optoch waerde,
Dae wurdt da schoon, prechtig en weltberuimd.

Wanneer de aftredende Prins Carnaval in het Jaar zijner regering getrouwd is, ontneemt men hem, bij de keuze van een opvolger, de hooge veer van den hoed, deze wordt of verbrand of in stukken gebroken. Prins Carnaval mag het jaar zijner regeering niet ontluisteren door in het huwelijk te treden en het vroolijke vrijgezellenleven vaarwel te zeggen.

Op het laatste moment heeft men te Sittard toch nog een Carnavalsoptocht georganiseerd. blijkbaar buiten de Marotte om.