70 jaar Molukse gemeenschap in Sittard

De komst naar Nederland

Vanwege de opgelopen spanning met de Indonesische overheid in de Molukse Archipel, die ontstaan was door de proclamatie van de Republiek Zuid-Molukken in april 1950, waren op 31 december van dat jaar, 3423 van de 65000 militairen van het Koninklijk Nederlands Indische Leger (KNIL) nog niet gedemobiliseerd.

Zij kregen het bevel naar Nederland te gaan, omdat de uitspraak van het Haagse gerechtshof op 22 januari 1951 bepaalde, dat een onvrijwillige demobilisatie in Indonesië van deze KNIL-ers verboden was en dat zij na hun demobilisatie in Nederland, na een kort verblijf weer terug konden keren naar de Molukken.

Als gevolg van deze uitspraak kregen de militairen in 3 opeenvolgende appèls van hun commandanten het dienstbevel om zich gereed te maken voor de reis naar Nederland. Van hen, die aan dit bevel geen gehoor gaven, zou het dienstverband als beëindigd worden beschouwd en zij zouden per direct uit het leger worden ontslagen.

Deze restgroep KNIL-militairen kwam met hun gezinnen in 12 scheepstransporten tussen maart en juni 1951 in Nederland aan. Het betrof een groep van 12880 personen.

Zij vertrokken onvrijwillig uit de Molukken in de veronderstelling dat zij na een periode van 3 tot 6 maanden terug konden keren naar een onafhankelijke Republik Maluku Selatan (RMS). Zij hadden alleen het hoognodige meegenomen variërend van kleding, wat huisraad en de nog achtergehouden wapens. Deze laatste hebben bij aankomst in Nederland snel moeten inleveren.

Na hun aankomst werden de mensen- via kamp Amersfoort- ondergebracht in woonoorden. Deze lagen verspreid over het hele land. Graetheide was er een van. In de periode maart/april 1951 zijn ongeveer 516 Molukkers, allen ex KNIL-militairen en hun familie gehuisvest in woonoord Graetheide.

Daar waar nu de huidige DSM-fabrieken staan, stond in de jaren vijftig het kamp Woonoord Graetheide. Het lag aan de Klaproosweg aan de rand van Lindenheuvel. Omdat het kamp dicht aan de gemeentegrens van Geleen lag, had men het altijd over Woonoord Graetheide Geleen. Geografisch en gemeentelijk behoorde het kamp echter tot de 8 kilometer verder gelegen Gemeente Sittard.

Woonoord Graetheide.

Woonoord Graetheide werd direct na de tweede Wereldoorlog gebruikt als gevangenkamp voor NSB-ers. Deze werden meteen na afloop van de oorlog gevangen genomen en in bewaring gesteld.

Rond 1948 werd Woonoord Graetheide gebruikt als onderkomen voor gastarbeiders uit o.a. Slovenië, Joegoslavië, Polen en Spanje. De gastarbeiders werkten als mijnwerkers in de steen- en bruinkoolmijnen. Deze bruinkoolmijnen lagen in de buurt van Lindenheuvel.

Deze voormalige kampbewoners verhuisden in de jaren 50 naar het vrijgezellenhuis in Geleen.

Woonoord Graetheide bestond uit een 25-tal houten en stenen barakken en was geheel omheind met prikkeldraad en de ingang werd streng bewaakt. Hier werden de Molukkers ondergebracht.

Door het commissariaat van Ambonezenzorg werd een Nederlander aangesteld als beheerder van het kamp.

De meeste gezinnen hadden veel kinderen (gemiddeld 8) en per gezin had men de beschikking over een kleine woonruimte en meestal 2 slaapkamers. In iedere barak woonden meerder gezinnen die samen gebruik maakten van de toiletruimte en paar wasbakken die zich in het midden van de barak bevonden. Er was een gaarkeuken waar de bewoners van het kamp hun eten konden afhalen. Daarvoor werd de rantang gebruikt. Dit waren kleine op elkaar gestapelde pannetjes.

Verder was er een school waar de kinderen onderwijs kregen in de Nederlandse taal want vrijwel de meeste bewoners spraken alleen Maleis.

De mannen bleven hun uniform dragen ook al waren ze ontslagen uit militaire dienst. Zij hebben echter nooit een officiële ontslagbrief ontvangen. In de ochtenduren was er reveille, appel en exercitie op de binnenplaats van het kamp. De vlag werd gehesen en gegroet en ’s avonds werd de vlag gestreken.

Omdat de Nederlandse regering in eerste instantie van plan was om de Molukkers terug te sturen werd op geen enkele wijze getracht de Molukse bevolking te integreren. Het was hen verboden om buiten het kamp te gaan werken en de gezinnen ontvingen 2,50 per week en verder bonnen om kleding en schoenen te kopen. De meeste mannen gingen in de zomer bij de boeren fruit plukken om toch iets bij te verdienen.

Na een aantal jaren vond de regering dat de Molukkers zelf meer moesten bijdragen aan de kosten van de verzorging. Veel van hen waren inmiddels toch gaan werken, vaak in de fabriek. In 1956 werd de zelfzorgregeling ingevoerd. Dit betekende dat de mensen in principe zelf in hun eigen levensonderhoud moesten voorzien. Pas als dat niet lukte, kregen ze steun van de overheid. Een van de symbolen van de zelfzorg was de eigen keuken die in de plaats kwam van de centrale keuken. Door de Molukse gemeenschap werd fel tegen de zelfzorgregeling geprotesteerd. De Nederlandse regering had hen immers naar Nederland gehaald en was daarom ook verantwoordelijk voor hun verzorging.

In het kamp liepen sinds die tijd honderden kippen rond die voor vlees en eieren zorgden en gekookt werd weer volgens eigen recept.

Onderdeel van het nieuwe beleid was dat Molukkers uit de woonoorden zouden verhuizen naar nieuwe speciaal voor hen neergezette woonwijken. Om problemen te voorkomen werd de bewoners van het kamp verdeeld over verschillende wijken zodat de groepen niet te groot zouden zijn. In Geleen was Borrekuil en de Potterstraat en in Sittard was dat de Jan van Eijckstraat en de Burgemeester Corbeijstraat.

Een deel van de kampbewoners ging vrijwillig maar een aantal gezinnen verzette zich tegen de verhuizing en vooral ook tegen het feit dat ze huur en gas, water en licht moesten betalen.

De Nederlandse regering was haar belofte niet nagekomen zo vonden zij. Zij waren hier niet vrijwillig maar op bevel van de overheid en zij waren diep teleurgesteld in de regering die zij als militair trouw gezworen hadden. Trouw en respect zijn belangrijke waarden in de Molukse cultuur.

Op de Molukse eilanden hebben de dorpen onderlinge banden; dit noemt men een pela-verbond. Dorpen met een pela-verbond staan elkaar bij in tijden van crisis (zoals natuurrampen, oorlog) en alle leden van een pela worden beschouwd als bloedverwanten; huwelijken tussen pela-leden zijn streng verboden. Dit maakt dat Molukkers trouw zijn aan diegene waarmee ze een verbond hebben gesloten en dat velen van hen daarom er ook zoveel moeite mee hadden om te aanvaarden dat zij niet meer terug zouden keren naar de Molukken.