Van burgerwacht, veldwachter en politie.

 

Voor de veiligheid van de Sittardse bevolking wordt al eeuwen in meer of mindere maten gezorgd. Was het vroeger de burgerwacht, later werd dat de veldwachter en hij werd tenslotte vervangen door de politieagent.

Inwoners van Sittard die niet op het rechte pad bleven of vreemdelingen die hier in de kraag gegrepen werden door de burgerwacht kwamen in de 17de terecht in het zg. “klutenhuuske”. Dit bevond zich in de toren van het oude Sittardse stadhuis, dat midden op de Markt stond. Omdat in de torenruimte tevens de brandstof voor het verwarmen van de stadhuislokalen werd bewaard noemden de Sittardenaren dit hok het “klutenhuuske”. Inplaats van op een zacht bedje moesten de gevangenen de nacht doorbrengen op een der stapels  „kluten”. Dat waren dikke harde ballen, gerold van een mengsel van kolengruis en klei die in de zon werden gedroogd.

Dit stadhuis werd door de Fransen in 1677 verwoest en twee eeuwen lang bezat Sittard geen eigen stadhuis. Toen de Fransen in 1802 het klooster van de Dominicanen aan de Oude Markt in belag namen en de paters naar huis stuurde werd in een gedeelte van dit klooster het stadsbestuur ondergebracht. Verder werden er enkele lokalen ingericht als gevangenisruimte.

Pas in 1874 kreeg Sittard weer een eigen stadhuis, gelegen op de Markt. Onderin het stadhuis kwamen de cellen voor de arrestanten.

 

In 1814 werd een Korps Marechaussee opgericht. Dit korps zou zorgen voor het noodzakelijke politietoezicht in het land. Het korps was militaristisch en het personeel zat in de kazerne. In Sittard was deze kazerne gelegen in de Nieuwstraat, daar waar nu de Hema ligt. Het duurde nog lang voordat het hele land was voorzien van politie.

Zo bestonden er rond het jaar 1900 vijf politiemachten in Nederland:

  • het Korps Marechaussee onder de minister van Defensie en Justitie (1200 man);
  • het Korps Rijksveldwacht onder de minister van Justitie (1400 man);
  • de gemeentepolitie onder de minister van Binnenlandse zaken (11000 man);
  • de politietroepen onder de minister van Defensie (1600 man);
  • de gemeenteveldwacht onder de Burgemeester.

De veldwachter

In 1826 kreeg Sittard zijn eerste veldwachters. Namen van de veldwachters worden in de Sittardse archieven eerste jaren van het koninkrijk echter niet vermeld. Wel staat opgetekend dat de beide ordebewakers jaarlijks een totaalbedrag van 300 gulden werd uitgetrokken. De eerste veldwachter waarvan in 1835 wel de naam bekend is, heette Sieben. Vanaf 1880 worden er in oude stukken ook bijzonderheden gegeven over de bewapening, die toen uit een sabel bestond. Van gemeentewege werd aan elke ordebewaker een sabeldrager van leer toegewezen. Die werd geleverd door een Sittardse firma voor de prijs van 72 centen.

Een uniformpet (met rood laken band) kostte enkele jaren later fl.1,75.

Inspecteur L. v. d. Broeke, voerde van 1916 tot 1940 het bevel over het korps en hij zorgde toen voor een verdere doorvoering van de reorganisatie. De verouderde term “veldwachter”, door de Sittardenaren enigszins discriminerend “bao” genoemd.

Begin 20ste eeuw kregen de meeste veldwachters de beschikking over een fiets als vervoersmiddel om sneller en efficiënter te kunnen werken. De meeste veldwachters en andere politiedienaren hadden over het algemeen, meerdere dorpen en gehuchten onder hun hoede, die ze regelmatig moesten bezoeken. Het hele traject moest lopend worden afgelegd. Dat koste veel tijd en energie en kwam de politiedienst niet ten goede. Fietsen was efficiënter en leverde tijdwinst.

 

`t „Chefke“

Een bekende politeagent uit de vooroorlogse jaren is het „Chefke “. Rond de strenge Sittardse politie inspecteur J.W. Offermans was een hele affaire ontstaan. Hij was nog jong en werd spottend “ ‘t Chefke” genoemd. In de gemeenteraad waren nogal wat klachten over hem geuit. Dat leidde ertoe, dat in een motie van wethouder Arnoldts het ontslag van de inspecteur van politie werd geëist. Hem werd verweten dat hij tactloos optrad, dat hij te vaak verbaliseerde en mensen lichtzinnig met zijn pistool dreigde.

Er ontstond nog een flinke herrie tussen hem en twee ondergeschikten in de wacht onder het stadhuis. De motie werd echter niet uitgevoerd. Maar op 10 januari 1911 vond er een ludieke, maar toch ook zeer serieuze actie plaats: Chrit Dols had een lange jas aangetrokken en een witgebiesde politiepetopgezet. Om zijn hals hing een namaak pistool. Plotseling verscheen de schutterij van de Steenweg die ‘t zich verzettende ”Chefke” arresteerde. Hij werd geboeid en onder het zingen van ”Och, het chefke is getrouwd, hae zit in de miserie” werd hij afgevoerd naar het station, om hem met de trein buiten de stad te voeren. De bedoeling van de Sittardenaren werd goed begrepen. Per1 maart werd het echte Chefke ontslagen.

 

De carnavalschlager van dat jaar was een groot gedeelte gewijd aan deze bijzondere politieagent.

 

Waat is ’t toch mer röstig

In oos klein Vaderschtad

Noe ’t chefke is gekòmme

Wurd alles opgeknap,

Dae zuut òs aan veur Russe

Mit zie japaans gezich

En meint dat veur òs barbare

De knoet mous opgerich.

Wooròm toch menke klein en teer

Raekens doe dich dat tot ein eer

Ei fatsoenlik man oet ein boetewiek

Zoo mer te schleipe door de schliek

Gank mit dien hanjelwies nog mer ei bitje door

Zoo’n lummels trèkke knuipe veer òs toch in ’t oor

Doe schaop kurns pas van schtal èns kieke in de wei

Mer zuls hie blömkes leere plökke van de hei.

 

’t Chefke is gevange

Gekloesterd weggebrach

Door Schteivigs dappre schöttesch

Dat hauw er noots verwach,

Of hae al baede en schmaekde

Belaofde baeterschap

Pardòng woord neit gegaeve

Door de generaal der schtad.

Es Meur zoo zchwart tot diene schpiet

Schik veer dich noe nao ’n boetewiek

Doe leits oos Zitterd neit mit vree

Misschien wurs doe op ’t dörp gedwee

Dao kòns te verkskes voure, passen op de paerd

Want veur oos Schtedje bès doe toch gein boon mee waerd

Es chefke loupe hie is noe veur goud gedaon

Mer kòns bie Lumes nog waal koujòng schpeele gaon.

 

Felix Rutten schreef een gedicht over hem waarin het volgende fragment voorkomt:

”Hae koosj mit de luuj neit euverwaeg.

Dat goof op ‘t lèts zoo’ne sjtriet,

Dat hae weggesjik woort, Holland in.

En dat waar mer gout. Dat waar meer es tied

Doe hei dan ‘t Gouvernement gevraog:

”Is alles te Sittard nu naar wens?”

Dao op haet oos vastenaovesgezet, De Papegeij,

destieds ‘t volgende antjwoord gegaeve veur de burgerie:

”Zelfs de gendarm vare door oos sjtad

Mit rouwbenj óm hun pens.”

 

De politie ten tijde van de tweede wereldoorlog

Aan het begin van de oorlog kwam er een ‘Reichskommissar für die Niederlande’. De politietroepen werden verdeeld over de Marechaussee, de Rijksveldwacht en de gemeentepolitie.

De taak van het politiekorps werd in de Oorlogsjaren uiteraard verzwaard door het feit  dat men tevens belast werd met het toezicht op de vele door de bezetter uitgevaardigde voorschriften. Zolang het onmiddellijke toezicht op de uitvoering van deze nieuwe taak berustte in handen van loyale-, en rechtgeaarde- , Nederlandse functionarissen, kon de agent in het veld zich nog verloven zijn eigen beleidsvorm te kiezen. Hij kon zonder in moeilijkheden te raken naar eigen inzicht opdrachten uitvoeren of zelfs naast zich neerleggen. Maar zijn positie werd precair en kwetsbaar toen vele burgemeesters de konsekwenties van hun verantwoordelijkheid als hoofd van de plaatselijke politie niet langer wilden aanvaarden en hun ambt neerlegden”. In Sittard nam burgemeester Coenders op 1 okt. 1941 ontslag waarna een de bezetter welgezinde plaatsvervanger op zijn zetel plaatsnam.

Over deze periode is in het boekje nog vermeld: “Als een eresaluut van de Sittardse bevolking aan het politieleger van de stad mag hier getuigd worden dat de mannen zich met omzichtig en wijs beleid van hun hachelijke taak hebben gekweten, ook in de volgende moeilijke oorlogsjaren”.

 

Rijks- en gemeentepolitie

In 1945, na de oorlog, bestond de politie eigenlijk niet meer, want in de ogen van de bevolking waren bijna alle politiemensen fout geweest. Er moest een nieuwe dienst komen. Op 8 november 1945 werd het Staatsbesluit genomen voor deze nieuwe politiedienst. De gemeentepolitie ging werken in aangewezen gemeenten met meer dan 25.000 inwoners. In de rest van het land werkte het Corps Rijkspolitie.

Een bekende politieagent uit de 50tiger jaren was Tanja die gezeten op zijn grote motor voor wie de jeugd veel ontzag had. Tanja schrok er niet voor terug om zelfs de kinderen van zijn superieur in diens bijzijn ernstig te berispen.

In 1993 vindt een grote reorganisatie plaats bij de politie. Rijks- en gemeentepolitie verdwijnen en de afstand van politie tot burger wordt steeds groter.