Molen Roufs ofwel de Stadbroekermolen.

Wanneer de Geleenbeek onze stad nadert ontmoet ze in Ophoven de eerste molen. Daar wordt nu hard gewerkt om de Geleenbeek weer een natuurlijke en meer meanderend aanzicht te geven. Het water wordt bij de Stenen Sluis gesplitst waarna één tak als Geleenbeek verder gaat buiten de oude stad om en de andere tak als Molenbeek en Keutelbeuk verder gaat, dwars door de stad. Door het water van deze molentak werden vroeger binnen de wallen nog twee molens aangedreven. Dan verlaat het water de oude stad bij de Broekpoort in de Paardestraat en gaat op zoek naar het bed van de Geleenbeek. Voordat het weer in zijn oude bedding stroomt wacht er nog één molen ver van de stad gelegen, de Stadbroekermolen.

In 1582 kregen twee ambtenaren van de hertog van Gulick, de heren Redinkhoven en Jhew, toestemming om in het stadbroek een run- en slijpmolen te plaatsen. Mercator, wiskundige, cartograaf en adviseur van de hertog, kwam persoonlijk naar Sittard om te bekijken of de locatie langs de Geleenbeek geschikt was om er een molen te plaatsen. In de stad maakten al een aantal molens gebruik van de Geleenbeek maar het stadbroek lag ver genoeg weg. De hertog had weliswaar het recht op het water en de beken maar de stad Sittard had van Walram van Valkenburg het stadbroek gekregen en moest dus eveneens goedkeuring verlenen. Dit gebied nu was uitermate geschikt om vee te weiden. Bovendien gebruikte de stad de kleiachtige grond ook om er stenen van te maken. De aanvraag om er een molen te mogen plaatsen viel dan ook niet zo goed bij het stadsbestuur. De burgers waren bang dat de molenaar het water te hoog op zou stuwen. Dit zou tot gevolg hebben dat weilanden en huizen onder water zouden lopen. Schoorvoetend gaf de raad uiteindelijk toestemming.

Een molen betekende anderzijds ook welvaart voor de streek.
De schoenmakers waren blij met de komst van de runmolen.
Run is de bast van o.a. eikenbomen. Deze bast wordt eerst in stukken gesneden en dan tot meel vermalen. De bast bevat looizuur en dit is nodig om leer te kunnen bewerken. De slijpmolen was vooral een uitkomst voor de lokale messenindustrie al werden er ook landbouwwerktuigen geslepen.
Nauwelijks was de molen actief of het regende klachten bij het stadsbestuur. De molenaar, die natuurlijk zoveel mogelijk uit zijn molen wilde halen, stuwde het water hoog op en inderdaad kwamen de weidegebieden, de huizen en zelfs de wegen onder water te staan.
De klachten zijn wel genoteerd maar we weten niet of er ooit maatregelen zijn genomen.
In de volgende eeuw is een zekere Dirk Paumen eigenaar van de molen. De molen wordt nu volmolen en tevens oliemolen.
Vollen is een methode om wollen stoffen te laten krimpen en vervilten om zo een stof te krijgen die warmer is dan wol. Het mengsel, nodig om de stof te vervilten, bestond uit urine, boter, volaarde en water, rook onaangenaam. Nu was het dus wel een voordeel dat de molen ver van de stad gelegen was.
Hoewel Sittard al twee oliemolens bezat, een in Ophoven en een bij het “Stenen Muurke”, was een derde molen blijkbaar toch rendabel.
Olie werd verkregen uit allerlei zaden. De zaden werden eerst geplet en vervolgens gestampt of geslagen. Daarom werd een dergelijke molen ook wel olieslagerij

genoemd. Uit deze zaden werd vervolgens de olie geperst. Olie was o.a. nodig voor de verlichting.
Eind 18de eeuw hebben de Fransen het hier voor het zeggen en alle bestaande molenrechten vervallen. De eigenaar van de Stadbroekermolen vraagt en krijgt vergunning om ook graan te mogen malen.

In 1815, na de val van Napoleon, trekt men een grens tussen Sittard en Tuddern, niet ver van de molen. Vanaf deze tijd werd het gebied tussen molen en grens drukbezocht door smokkelaars.
In 1840 verkocht Edmond Francken, koopman te Sittard, de molen aan de familie Roufs. Nog steeds was de molen zowel olie-, run- als graanmolen. Er lagen nog steeds leerlooierijen langs de Geleenbeek maar erg belangrijk waren ze niet meer.

De heer P.J. Roufs kocht de molen voor Fl.7.075 en vermeld wordt in de koopacte dat er behalve de molen ook een woonhuis, stalling, binnenplaats, een schuur, een moestuin en een boomgaard behoorde tot de bezittingen.
In 1864 krijgt Roufs vergunning om een stoommachine te mogen plaatsen. Vandaar de hoge schoorsteen naast het molengebouw.

Begin deze eeuw voldeed de stoommachine niet meer aan de moderne eisen. Ook was de waterstand in de Geleenbeek niet meer voldoende om het waterrad aan te drijven. De familie Roufs was zeer vooruitstrevend en besloot om een waterturbine aan te schaffen.

Met de komst van de mijnen slibde de beek langzaam de dicht. Daarbij kwamen de crisisjaren en de molen raakte in onbruik. Men leefde van de opbrengst van de fruitweide en de graanbewaarplaats.
De molen raakte in verval en werd ruïne. Stenen werden gebruikt om kasteel Limbricht te restaureren en een unieke molen dreigde verloren te gaan maar gelukkig besloot de gemeente Sittard begin jaren negentig om het gehele complex te restaureren. Onder de bezielende leiding van Gjus Roebroek, molenaar en beeldhouwer, werd het grootste gedeelte van de gebouwen weer in de oude staat hersteld en draaide ook de waterturbine weer op volle kracht. Zijn doel was om hier spelt (graansoort) te verwerken dat op zijn initiatief samen met enkele enthousiaste boeren op de Kollenberg werd aangeplant.

Nu, anno 2021, is de molen in handen van Savelkoul die hier een catering en feestlocatie exploiteert.

Bron: E.J.A. Marcus