Voorbeeldpagina met tekening van Jan Hermans

 

Iesdop, werptol. Uuldop, brómmert, bromtol. Vleigert, roetevleigert, priktol. Kraaktuut, klapbus, proppenschieter. Ein eulenteule kraaktuut mit eine kónkernölle sjpéndrik, dae goud fetzelt en ferm plónsj, aafgesjneë aan Köstesj vónjere, ( of aan et vaeke van oos wétje. Mit ein kral drin en et ouch sjpritsssjpruit. Een proppenschieter van vlierhout met een kornoeljenhouten laadstok die goed vezelt en flink knalt, afgesneden aan het vonder bij Custers ( dat was een klein bruggetje bij het huis van de familie Custers in Ophoven, waar blijkbaar het beste eulenteul en kónkernölle hout stond, (of aan het hek van ons weitje). Aks men er een kraal in doet, kan men er ook een spuit van maken. Men zag de jongens ook de SPÉNDRIK over de straatstenen of over de hardstenen vensterdorpels wrijven om hem goed te doen vezelen. Péijas, paljas, trekpop. Reip, hoepel. De jongens hoepelden door de straten en op de wegen. Tréklaer, zuigleertje. Gebruikten de jongens om er steentjes mee van de grond te trekken. Rabbel, rebbelke, rammelaar. Sjokkel, schommel. Sjokkelpaerd, hobbelpaard. Sjnelluiper, autoped.

 

Méisj, knikker. Uuf, kleine knikker waarmee bij voorkeur geschoten werd omdat hij de juiste dikte had voor vinger en duim. Mervelaer, marbel, stuiter, meestal veelkleurige knikker van marmerglas, albast of porselein. Sjeitméisj,  een knikker die meestal door den winnaar aan zijn speelkameraad gegeven werd als deze al zijn knikkers verloren had, om hem in de gelegenheid te stellen iets terug te winnen. Sjeite, knikkeren. Veuruuf, zegt men om te kennen te geven dat de speler weer van meet af aan moet beginnen.

 

Méisje ? Klitsje ? Oet dich ! Betekent, heb je knikkers bij je? Zouden wij een spelletje doen? Jij komt uit, jij begint.  Dit zei een meisje tegen een ander, als ze haar van ver zag. Het oet dich wil zeggen dat zij de ander wilde voorkomen, en deze moest beginnen met spelen. Klitsje, meisjesknikkerspel. Kuulke sjtókke, stuiken of pompen. De speler laat de knikker met een schok in het kuiltje vallen, de knikkers die erin vallen zijn voor hem, die eruit springen of ernaast vallen zijn voor den andere maat.        Ofwel men krijgt van zijn speelkameraad een aantal knikkers en zelf doet men er evenveel bij. Komt er nu bij de schok een even aantal knikkers dan moet hij ze allen aan zijn medespeler afgeven. Is het aantal ómp (oneven) dan zijn ze allen voor hem.