Putstraat

 

We maken deze keer een wandeling door de Putstraat, eeuwen lang de grote doorgaande handelsweg. Sittard was van oudsher een stad die leefde van de handel, vooral de verkoop van agrarische producten. Al in de 13de eeuw kreeg Sittard het grote marktplein ter vervanging van de Oude markt. De belangrijkste verkeersweg ging dwars door de stad, via de Putstraat, Markt en Limbrichterstraat . Deze verbond het Rijnland met de Maas en was Oost-West georiënteerd.

De Putstraat was dus een belangrijke straat. Men verliet de stad via de Putpoort en na de Putpoort, ongeveer ter hoogte van no 68 ( daar lag vroeger de zaal van Laumen) boog de weg naar links richting Wehr. Toen in 1675 de Rosakapel op de Kolleberg verscheen werd de weg in verband met de Rosaprocessie rechtdoor getrokken.

De naam verwijst natuurlijk naar een waterput die zich hier bevond.

We beginnen onze wandeling bij de Markt. Rechts staat het prachtige pand dat  burgemeester Lunenschloss liet bouwen, later bewoond door de familie Suijlen en in de tweede helft van de vorige eeuw  bekend als handwerkwinkel Bella. Aan de linkerzijde was café D´Hollande.

Op een van de foto´s zien we een grote groep mensen staan bij de winkel in koloniale waren, de “Sittarder Consum”, van M. Toebosch. Toebosch verkocht zijn pand aan drukkerij Claessens die hier ook een winkel in kantoorbenodigdheden had. Deze winkel lag tegenover de huizen Om de Tol.

In vroeger dagen werd hier aan het begin van de Putstraat en Paardestraat tol geheven.

In een van deze huizen lag de bakkerij van Rulkens.

De Putstraat was een voorname straat met prachtige panden.

Er woonden bv. aannemers als G. Beckers (die o.a. het Mariapark bouwde) en zijn opvolger schoonzoon Jean Laudy die hun bedrijf hadden aan de Putpoort; ook aannemer J. Limpens die het  stadhuis in 1874 bouwde was hier gevestigd. Verder lag er de Wissel-, Effecten en Incassobank van H. Delhougne die in 1916 naar de Paardestraat verhuisde en zijn pand verkocht aan de familie Simons die er vele jaren de schoenen van de Sittardse bevolking repareerde. Aan de rechterzijde kwam in 1820 drukkerij Alberts. In 1854 zette zoon Jacob Karel de drukkerij voort. Hij was o.a. de uitgever van het Week- en Advertentieblad Mercurius van 1862-1871. In 1865 plaatste hij er een advertentie in, waaruit blijkt dat hij kopieën van “daguerrotypieën en albumfoto’s” in Amsterdam kon laten maken. Er moeten dus al voldoende foto’s in Sittard zijn geweest om een dergelijke service lonend te doen zijn. Zijn bekende weekblad werd opgevolgd door “De katholieke Limburger” dat tot een jaar na zijn dood in 1895 heeft bestaan. Zijn twee dochters Marie en Cornelia volgden hem op. In 1911 kwam hun neef Alphons Alberts uit Gulpen naar Sittard om de drukkerij te leiden totdat hij stierf in 1956. Daarna volgde Guus Alberts zijn vader op.

Tegenover de drukkerij lag ververij en wasserij Palmen met er naast de winkel met koloniale waren van Heuts, waar ook tabak en sigaren werden verkocht.

In het midden van de straat had E. Palmen zijn wijnhandel in het pand waar later de muziekschool zou komen. Aan het einde van de Putstraat op de hoek van de Leijenbroekerweg lag de Uitspanning “Au Lion d’Or” van Gramser en ernaast die van Ohlenforst. Er waren halteplaatsen voor de wagendiensten, want het reizigersvervoer geschiedde voornamelijk met paard en wagen, al was in 1865 de spoorlijn Maastricht-Venlo voltooid en had Sittard een station. Vanuit Sittard waren er enkele wagendiensten, bv. Naar Maastricht, Roermond, Grevenbicht. Ohlenforst reed naar Kerkrade. Een eindje verder aan de overkant bevond zich vanaf 1900 café Martens (later Laumen) waar men niet alleen terecht kon voor een drankje. Het café beschikte over een grote zaal waar zoals het opschrift op de gevel vermeld zelfs gymnastiek beoefend kon worden.

In deze straat ligt ook een villa met een grote tuin ervoor, Villa Maria. Het bouwjaar staat in de gevel: `Anno 1893′.

Vanaf 1908 woonde hier Mgr. M.J.D. Claessens (1852-1934). Na zijn priesterwijding in 1876 vertrok hij naar Batavia als secretaris van zijn oom A. Claessens, apostolisch-vicaris van Batavia (bisschop gewijd in de St. Petruskerk van Sittard op 2 februari 1875). Hij nam een belangrijke plaats in de Sittardse gemeenschap in.  Hij gaf een groot gedeelte van zijn achtertuin aan de zuster in de Plakstraat. In 1922 en in 1923 liet hij een veranda en nog twee woonkamers aan de achterzijde bijbouwen en in 1925 een huiskapel.

In de Putstraat en de Plakstraat woonden voor de 2de wereldoorlog ook veel Joden die hier o.a. slagerijen bezaten.

De Putstraat kwam vroeger uit op de Wehrerweg links en de Leyenbroekerweg rechts. Rechtdoor voerde een zandweg naar de St. Rosakapel. Het huis op de hoek van de Wehrerweg werd in 1878 door architect Hamilton gebouwd als sigarenfabriek. Als zodanig deed het slechts zes jaar dienst, waarna het werd omgebouwd tot een soort huurkazerne, waarin meerdere gezinnen hun woning hadden. In 1898 vestigden zusters Karmelietessen van het Goddelijk Hart van Jezus er hun klooster en het weeshuis St. Josephheim.

Langs de beide fronten van het gebouw liep een diepe greppel voor de afvoer van het regenwater, dat bij stortbuien in grote hoeveelheden vanaf de Kolleberg naar beneden stroomde. Over deze greppel waren voor de bewoners, zowel langs de Kollebergweg als langs de Wehrerweg enige bruggetjes gelegd om tijdens regenbuien droge voeten te houden. Daardoor kreeg het huurpand bij de Sittardse bevolking de benaming van “’t Hoes mit de zeve Brögke”. Toen in 1962, om de binnenstad van doorgaand verkeer te ontlasten, de Kennedysingel werd aangelegd, moest het gebouw wijken voor een direkte aansluiting op de Leyenbroekerweg.

De Putstraat verloor zijn voorname karakter in de vorige eeuw en veel panden waren er slecht aan toe. Gelukkig is het tij gekeerd. Veel huizen zijn weer opgeknapt en gelukkig vaak met respect voor het historisch karakter.

 

Bron: “Stadsbeelden”  Math Vleeshouwers