Op naar de bevrijding

Een verhaal op papier gezet door Jan Wessels. Hij woonde tijdens de oorlogsjaren met zijn 3 broers en 2 zussen in de Putstraat 34 bij zijn ouders Willem en Gonda Wessels. Zijn vader had hier een schildersbedrijf en tevens was er een winkel in drogisterijartikelen gevestigd. Hij ging wonen in de O.L.Vrouwestraat in Geleen. In 1956 emigreerde hij naar Zuid-Afrika uit teleurstelling over het feit dat er nooit een erkenning of iets dergelijks kwam van de Nederlandse regering, ofschoon hij met anderen vele malen de dood getrotseerd had. Met zijn broer Harrie was hij in het verzet (waarover steeds in alle toonaarden werd gezwegen, ook tegenover familieleden) en zat hij geruime tijd ondergedoken. Harrie woonde naderhand in de Agricolastraat in Sittard. Voor dat Jan naar Zuid-Afrika emigreerde, heeft hij in enkele getypte A4-tjes zijn verhaal gedaan. Ik heb hem moeten beloven niets bekend te maken zonder zijn toestemming. Nadat hij enkele jaren geleden is gestorven, heb ik de brieven aan zijn jongste dochter, die in Zuid-Afrika is geboren, laten lezen. Van haar heb ik de toestemming gekregen om het te publiceren. Op een enkele toevoeging na is het in het geheel overgenomen van de originele tekst.

Jo Neilen

Mijn eigen ontberingen.

In 1942 heb ik reeds geweigerd om voor de Duitsers( onze vijanden) te werken. Ik heb veel dagen verzuimd op de ambachtsschool te Sittard, waar ik leerling was. Onze directeur was de heer De Rouw.

Toen de Duitsers leerlingen van een zekere ouderdom naar Duitsland brachten, ben ik op eigen initiatief verdwenen.

In juni 1943 ben ik in de bossen van Horn bij Roermond ondergedoken.

Mijn broers Harrie en Theo waren samen met mij. Pater Bleys van de Redemptoristen van Roermond(lang overleden) is vele keren in de bossen bij ons gekomen en heeft ons kracht en sterkte gegeven.

links Jan Wessels, rechts Harrie Wessels

Op 17 september 1943 zijn de Duitsers gekomen en hebben Harrie en mijzelf gevangengenomen met twee andere mannen waarvan ik de namen vergeten ben. Ze zijn verraden toen ze zich in een kuil in het bos verstopten. Met hun handen op de rug en onder

dwang van geweren, moesten ze een van lucifers gemaakt portret van koningin Wilhelmina met hun mond uit de wand van de kuil verwijderen.red.). Theo is gelukkig ontsnapt.

Vandaar zijn wij naar de gevangenis in Maastricht gebracht. Elke dag zijn we naar het hoofdkwartier van de Duitsers meegenomen, onder zware mishandelingen en bedreigd met de dood, als wij niet alles van de verzetsbeweging vertelden. Niets is uitgekomen en we hebben onze mishandelingen getrotseerd.

Na 4 weken zijn we naar de Leusderheij, het kamp in Nederland gebracht. Als ik het goed heb, was mijn gevangenennummer 1088.

In het kamp zijn wij tot januari 1944 geweest en toen op een vroege morgen in een trein onder zware bewaking naar Duitsland afgevoerd. Door mijn hoofd zijn allerhande gedachten gegaan, wat zal van ons worden.

Inmiddels waren wij in Duitsland en in Mönchen-Gladbach aangekomen. De trein is gestopt en de sirenes zijn afgegaan en elkeen moest naar de ondergrondse kelders. Daar was grote chaos en onder deze omstandigheden zijn Harrie en ik ontsnapt.

Er was een hevig bombardement van de geallieerde luchtmacht. Na veel obstakels zijn wij weer te voet in Sittard, Nederland aangekomen(de pastoor van Tuddern heeft geholpen de grens over te komen omdat hij bevriend was met vader Willem Wessels red.).

Ik ben in het ziekenhuis De Goddelijke Voorzienigheid opgenomen en verzorgd. Mijn broer Harrie was elders gebracht (thuis in een muurkast achter een grote wandkast red.). Vandaar ben ik naar Heerlen gebracht bij Dr. Vijgen, een vriend van mijn vader( lang overleden).

Ik heb voor een examen ingeschreven bij de M.T.S. in Heerlen en onder die omstandigheden niet geslaagd.

Ben toen naar Roermond gebracht en bij de familie Beek in Maasniel ondergebracht, die mij met liefde en ondersteuning verzorgd hebben. Vandaar kwam ik in Oler-Grathem, omdat de Duitsers alle huizen onderzochten op onderduikers.

Ben toen bij de familie Clerks aangekomen. Een hard werkende familie en ik kan mij nog Reneer goed herinneren. Ook zijn zuster Mia. Daar was ook een zekere pater Tiet en nog een jongen uit Tsjecho-Slowakije. Ik heb nog foto’s hiervan in mijn bezit.

In september 1944 ben ik weer gevangen genomen in Kelpen-Oler met nog zowat 34 andere weerbare mannen. We zijn in veewagens gestopt en weer naar Duitsland op pad gestuurd.

Mijn broer Harrie was op een andere plek en is inmiddels door de geallieerde troepen bevrijd.

Diezelfde nacht ben ik uit de trein gesprongen en weer ontsnapt. De omgeving heb ik daar goed gekend en ben toen weer bij de fam. Beek in Maasniel aangeland, die mij weer verzorgd hebben.

Ik ben daar geweest tot 21 januari 1945.

Wachten op de bevrijding.

page2image618638752

Zondag, 21 januari 1945.

Na lange beraadslagingen en na eerst gezorgd te hebben voor valse papieren, gingen wij vanuit Maasniel op pad.

Wij vertrokken ’s morgens om half twaalf in de richting Herten. De eerste hindernis, de spoorweg naar Roermond, leverde ons geen moeilijkheden op.

We kwamen de spoorwegovergang voorbij zonder dat ons naar het zgn. Fuikbriefje (Ausweis) gevraagd werd.

Bij de Roerbrug aangekomen, werden we staande gehouden. “Halt, Ausweis”! Nadat we ons vervalst briefje getoond hadden, vroeg één der twee moffen: “Wohin”? Hadden zij argwaan?

Op ons antwoord dat wij munitie moesten rijden voor de groep ”Mathaeus”, mochten we verder gaan.

Het was maar goed dat we van het bestaan van deze ”groep” op de hoogte waren en dat we besproken hadden wat in geval van aanhouding te zeggen.

In Herten-Merum aangekomen, deden wij bij een kennis van één onzer navraag of er kans bestond de Maas over te komen naar bevrijd gebied. Van hier werden we naar een ander adres verwezen.

Na op verschillende plaatsen geweest te zijn, werd het ons duidelijk dat we de Maas niet zouden kunnen overtrekken.

Na reeds 3 dagen onderweg te zijn geweest, waren we niet veel opgeschoten. We moesten nu blijven waar we waren.

Op woensdag, 24 januari kwam het front bij Linne in beweging. Groot was onze vreugde. Aan de horizon begon de dageraad te blinken. Zouden we spoedig van de tirannie verlost worden? Was de bevrijding in aantocht? De bevrijding, waar we reeds zo lang, te lang zelfs, op gewacht hadden!

De volgende dag was onze vreugde als bij toverslag verdwenen bij het bericht der Duitsers, dat de mensen van Herten-Merum moesten evacueren. Zouden de moffen hun duivelse streken kunnen uitvoeren voordat de bevrijders bij ons zouden zijn? Zouden onze geallieerde vrienden nog lang uitblijven? Het duurde reeds zo lang. Te lang!! En… we wisten het toen nog niet, het zou nog langer duren. Alle leed was nog niet geleden.

In de namiddag waren alle bewoners vertrokken, uitgezonderd Hub. Beckers, Pierre Jeurissen , beiden uit Maasniel en Jan Wessels uit Sittard. Wij met ons drieën waren gebleven in de hoop op een zeer spoedige bevrijding. Waar hadden wij anders ook naar toe kunnen gaan? We konden niet tevoorschijn komen, want dit stond gelijk met werken voor de door ons gehate vijand.

En werken voor de moffen:” Dat nooit”! Liever trotseerden wij allen de ontberingen dan ook maar één hand voor de verdrukkers uit te steken. Kwamen wij tevoorschijn dan werden wij misschien gedeporteerd naar Duitsland, misschien zelfs doodgeschoten wegens het ons onttrekken aan tewerkstelling voor de Duitsers. Het zou de eerste keer niet zijn dat dit

gebeurde. Wat bleef ons anders over dan te blijven, blijven op een plaats omringd door vijanden en mijnenvelden.

We zaten intussen zeer slecht in ons voedsel en moesten trachten dit aan te vullen, ondanks dat de moffen in het huis waren, in welks schuur wij onze schuilplaats onder het stro hadden.

De eerst volgende dagen leefden wij van een sneetje brood, een stukje spek, wat appels en havermout. Toen kregen we bezoek van de gebroeders Jac. en Pierre Janssen uit Merum.

Hun broer Jos en Piet Fontein vielen in handen der Duitsers. Zij hebben echter de gelegenheid gekregen zich alsnog te verwijderen.

We waren nu met vijven. Vijf jonge mensen, weggedoken in een schuur, onder stro, weigerend ook maar één hand te helpen ter verlenging van deze oorlog. Vastberaden de gemeenschappelijke vijand trotserend.

Door het hevige granaatvuur moesten wij nu enkele dagen onze schuilplaats verlaten.

We vertrokken naar de boerderij van Janssen ter plaatse. Ons toevluchtsoord werd een kolengat onder het smidsvuur. Deze ruimte was echter veel te klein en we moesten steeds blijven liggen. Na twee dagen konden we het niet meer uithouden. We moesten weer van schuilplaats veranderen.

We kropen de smederij in en overlegden wat te doen.

Plots moest één onzer hoesten. Een mof kwam buiten aan een der ramen en riep: ”Wer ist da”? We kregen koude rillingen, want we wisten wat ons te wachten stond wanneer ze ons vonden.

Toen de mof vertrokken was, kozen we in allerijl het hazenpad. We liepen langs de stellingen en mijnenvelden van onze “weldoeners” en arriveerden bij de boerderij van L.Kanters te Ool.

Een pak viel van ons hart toen we daar aankwamen. We waren zeer vermoeid en kropen meteen onder de wol, of liever gezegd onder het stro. Rust was het enige wat wij toen nodig hadden, rust voor onze, tot het uiterste gespannen zenuwen.

De volgende morgen togen we meteen op zoek naar voedsel. We zochten naar inmaak, waarvan de reeds lang vertrokken eigenaar ons meegedeeld had, dat deze zich ter plaatse moest bevinden.

Nadat wij de inmaak gevonden hadden, openden we om onze honger te stillen meteen een paar glazen, welke ons zeer goed bekwamen. Hierna werd onze schuilplaats in orde gemaakt.

Een grote tegenslag was dat wij geen drinkwater hadden. Alle pompen in de buurt waren stuk en zo moesten wij ten einde raad, na enkele dagen, genoegen nemen met slecht water uit een regenput.

Op 12 februari trad de Maas buiten haar oevers, zodat wij door het water omringd werden. We hoopten spoedig wat meer bewegingsvrijheid te hebben.

Daags daarna konden we, voor het eerst sinds bijna 3 weken, een kop warme koffie zetten. Onze kookgelegenheid bestond uit een emmer met enkele gaten, waarin wij een houtvuurtje stookten. Een ketel met water vervolmaakte het geheel. Weliswaar zeer primitief, maar alleszins bruikbaar. Trouwens we verlangden niet meer. We waren blij dat we op deze manier iets warms te drinken konden krijgen.

Op 14 februari gingen twee van ons naar een naastbij gelegen boerderij, gedurende welke tijd wij ons bezig hielden met het “dorsen “van enig graan. We stopten een bos tarwe in een zak en sloegen met een knuppel hierop zodat de tarwe in de zak kwam, klaar voor gebruik. Tegelijkertijd stond een ketel met erwtensoep te pruttelen op ons “fornuis”.

Onze twee kameraden werden echter ontdekt en kwamen ons haastig waarschuwen. We ruimden vliegensvlug, zonder sporen achter te laten, alles op en verdwenen in onze schuilplaats.

Vijf minuten later waren de moffen present. Ze zochten alles af en schoten op verschillende plaatsen in het stro. Maar de vogeltjes waren gevlogen. Hadden zij geweten dat we zo dicht in hun nabijheid waren! Uit angst durfden we haast niet meer uit onze schuilplaats te komen. Alleen bij dringende noodzaak kropen we eruit.

Vanaf die tijd bestond ons voedsel voornamelijk uit koren en stroop met een heel klein stukje vlees. Ons rantsoen doopten wij: ”Onderduikers- salade met bevrijdingsmayonaise”.

Op dinsdag 27 februari stonden wij bloot aan een granaatvuur, zó hevig, als wij nog nooit tevoren hadden meegemaakt. Dit duurde voort tot woensdagmorgen daarop volgend. Daarna werd het rustig, zeer rustig zelfs, zodat wij somtijds dachten dat er geen oorlog meer was. Een enkel schot zo nu en dan verbrak de stilte.. En wij wachtten op de bevrijding, de bevrijding die maar niet wilde komen. We verkeerden in een toestand van kalme berusting.

Eens zou de dag komen dat wij het Duitse juk van ons af konden schudden. We vonden onze troost en sterkte in het gebed. Met Gods hulp alleen konden wij uit handen van onze verdrukkers blijven.

Wederom kwamen we in voedselnood te verkeren. Wat nu te doen? We besloten met ons vijven te trachten door de frontlinie heen te trekken.

Dinsdag, 6 maart, in de avond vertrokken we. We kwamen aan de Peelberg. Plotseling twee lichten van rijwielen voor ons. We hielden halt en lagen in geen tijd tegen de grond. We dachten dat we omsingeld waren.

Allerhande gedachten door ons hoofd. Gedachten aan de moffen, aan Engelse en Amerikaanse patrouilles, aan thuis.

Een onzer ging op verkenning uit, nergens was meer iets te bespeuren.
Op de grote Rijksweg zagen wij auto’s rijden in de richting Roermond, …met volle licht!

We waren al bang dat de geallieerden ons met de moffen hadden laten zitten. We trokken verder zonder te weten dat we tussen de mijnenvelden waren. Op de Rijksweg aangekomen, reden ons Amerikaanse wagens voorbij.

We beseften echter niet wat dit betekende. Wij dachten aan bevrijding, maar konden het niet geloven. We durfden zelfs niet aankloppen aan een der huizen waaruit licht naar buiten scheen. Na nog een eindje gelopen te hebben, riskeerden wij het en klopten aan.

De deur ging open en een persoon in militair uniform stond voor ons. Wij schrokken. Waren we nu nog bij de moffen aangeland? Genoemd persoon in uniform bescheen ons met een lamp en herkende een onzer. Op dat moment hoorden wij dat we bevrijd waren

Op de commandopost van de O.D.(genoemd persoon was lid hiervan) aangekomen, werden wij met de grootste verwondering ontvangen. Zij konden zich niet indenken dat er daar nog mensen in de buurt geleefd hadden, maar de blijdschap beiderzijds was er des te groter om.

Toen hoorden wij dat deze streek sinds maart van Duitsers gezuiverd was. We hadden dus vijf dagen te lang verborgen gezeten.

Was ons voedsel niet opgeraakt dan hadden wij misschien nog langer op de vrijheid gewacht. Onze enige droom sinds lange jaren!!!

Jan Wessels Putstraat 34 Sittard