Niemandsland in oorlogstijd

Misschien herinnert iemand het zich nog maar het is lang geleden. Tussen Sittard en Duitsland lag een stukje niemandsland. Dankzij de Europese unie hebben we nu een grenzeloze provincie. We doen boodschappen in Tudderen en tanken in België zonder te merken dat we grenzen passeren. We betalen nu overal met dezelfde munt. Dat was vroeger wel anders. We hadden standaard een beurs met guldens, marken en francs en moesten steeds langs de douane.

In die tijd bestond ook het niemandsland nog tussen Tudderen en Sittard, zo ongeveer van de rotonde tot aan de gemeentegrens van Tudderen.
Het niemandsland lag tussen twee grensposten aan de Tudderenderweg. Men verliet bij eerste de grenspost Nederland om vervolgens bij de volgende grenspost Duitsland te betreden.

Liefst hield men dit stuk land vrij van bedrijven en bewoning om te voorkomen dat men in oorlogstijd klem zou komen te zitten tussen twee strijdende partijen.
Eeuwenlang was er hier ter plekke geen grens omdat Sittard behoorde tot het hertogdom Gulick en eerst Jülich en later Düsseldorf onze hoofdstad was.

In de Franse tijd, rond 1800, kwam hier verandering in en nadat Napoleon verslagen was werden de landsgrenzen opnieuw bekeken. Sittard zou voortaan bij de Nederlanden gaan horen al heeft het tot 1867 geduurd eer Limburg daadwerkelijk een Nederlandse provincie werd.

In 1863 werd in de gemeenteraad besloten om een nieuwe weg aan te leggen van Sittard via Tuddern naar Heinsberg. Voor die tijd maakte men gebruik van wat nu de Oude weg heet. De oude weg liep van de Broekpoort langs de beek richting de Stadbroekermolen.
Voor de nieuwe weg werden stroken grond aangekocht in het Stadsbroek voor een totaal van Fl. 579.63 en er werd een bouwkundige benoemd die belast werd met het opmeten van wat men toen noemde, een nieuwe communicatieweg. Zo ontstond de Tudderenderweg. Met de aanleg van de weg kwam er ook een grenskantoor dat zeker tot en met de laatste wereldoorlog als zodanig dienst heeft gedaan.

Tijdens de oorlogsjaren woonden hier de families Hausmanns en Straatman. De familie Hausmanns woonde op no 212.
Frank Heesakker vertelde ons over de herinneringen van zijn moeder, Sieke Hausmanns, die hier tijdens de oorlog met haar ouders, een oudere zus Leny, en haar twee broers Jan en Jacques, naast de familie Straatman woonde.

Sieke Hausmanns, geboren op 8 maart 1935, heeft vrijwel haar hele leven aan de Tudderenderweg, in het grenskantoor, gewoond.
Sieke vertelde dat buurman Straatman vaak last van had “pien in de kop” en dan zette hij een warme theemuts op zijn hoofd om de pijn te verlichten. Mijnheer Straatman was belastingambtenaar van beroep maar moest ook de slagboom bedienen wanneer de douaniers al naar huis waren. Op een dag, Sieke was laat buiten, stond er een auto voor de gesloten slagboom. Sieke moest vreselijk lachen. Toen de buurman vroeg waarom ze zo moest lachen bleek dat hij de slagboom had geopend met de theemuts nog op zijn hoofd.

Sieke sliep bij het uitbreken van de oorlog op de slaapkamer aan de voorkant van het huis en werd ruw uit haar slaap gewekt. Ze hoorde hoe de Duitsers schreeuwden “Machen Sie auf” terwijl ze met hun vuisten op de deur sloegen. De slagboom moest geopend worden. Even later kwamen ze ook bij hen binnen.

In de gang hing in die tijd nog een foto van overgrootvader (die bij hen inwoonde) en die nog in het keizerlijk leger gediend had. Toen ze dat zagen waren ze opeens wat vriendelijker. Die foto is daarna meteen naar zolder verhuisd.
Haar vader heeft de volgende dag nog mee moeten helpen om een aantal gesneuvelde Nederlandse militairen uit de kazemat te halen die op de plek stond waar nu het parkeerplaatsje is aan de Tudderenderweg bij de vijver van de Schwienswei. De soldaten zijn begraven op de algemene begraafplaats.

De oorlogsjaren waren – voor zovelen – ook voor hen niet gemakkelijk, vooral omdat haar vader ook nog eens “statenloos” was (“Das gibt es nicht!”: zeiden de Duitsers) en het gevaar bestond dat hij opgeroepen kon worden voor het Duitse leger. Met medewerking van iemand van de gemeente kreeg hij de Nederlandse Nationaliteit. Vader had een baan als stoker in het ziekenhuis. Van de zusters van het ziekenhuis kreeg hij vaker wat toegestoken.

In 1944, vlak voor de bevrijding zagen ze steeds meer Duitsers richting de grens trekken met de opmerking “Wir kommen zurück”.

Vlak voor de bevrijding werden in het bosje tegenover het huis (ongeveer waar nu de Jan Steenstraat is) twee mannen door de Duitser gefusilleerd, Crauwels en Theunissen. ’s Avonds moest Sieke mee om daar met anderen te gaan bidden. Het was duidelijk dat ze ter plekke doodgeschoten waren; de grond was roodgekleurd.

Eindelijk was de bevrijding in zicht.
Dat was dagen van tevoren al te merken aan de uittocht richting Tuddern. Sieke stond vaak buiten te kijken en menigmaal klonk het dreigend: “Wir kommen zurück”. Het beeld van die vrouw met onder haar arm het portret van Hitler is ze nooit meer vergeten.

Op de dag van de bevrijding was het onrustig en voor de veiligheid hokten ze samen in de gang. Voorheen hadden ze al vaker bij de familie Straatman in de kelder gezeten. Daar stond namelijk geen grondwater inaar nu wilde haar ouders in hun eigen huis blijven. Je wist maar nooit wat ging gebeuren.

Mocht er wat gebeuren dan konden ze nog naar buiten en proberen om weg te komen, tenminste als dat mogelijk was want de Duitsers hadden op hun terugtocht de bomen voor het huis omgezaagd om de tanks tegen te houden. Op een gegeven moment stonden Duitsers toch weer binnen en vroegen met een snauwtoon: “Sind die Tommies schon da?’

Sieke, die niet op haar mond gevallen was, zei: “die zijn voorlopig nog niet hier.”
Ondanks protest van haar ouders (ze richtte toen een pistool op haar vader) doorzochten ze het huis en de tuin en schoten vervolgens de enige haan, die nog over was, dood en namen hem mee en vertrokken. Haar moeder zei toen: Ze hadden eens moeten weten dat de Tommy’s al in de wei bij “Ronken” lagen (ongeveer daar waar voorheen slagerij Kapell was aan de Tudderenderweg). Dat had ze van meneer Straatman vernomen.

Omdat het op een bepaald moment zo opvallend stil was ging haar moeder – die niet bang was uitgevallen was – boven op zolder aan het ronde raampje kijken of ze wat kon zien. Van daaruit had je een goed uitzicht over de Tuddernderweg. Ze was amper boven daar kwamen een aantal tanks in beweging – ongeveer van af het huidige stoplicht – al schietend richting

Tuddern. Nog nooit was moeder zo snel beneden en haar gezicht was lijkbleek.
Even later hoorden ze een hoop kabaal. Een tank was bezig om de bomen aan de kant te schuiven richting het huis zodat het binnen bijna donker werd. Daarop werd de voordeur geopend en stonden de eerste bevrijders in de gang. Het huis vulde zich al gauw met Amerikaanse soldaten. Wat een feest. Vader kreeg meteen sigaretten en de kinderen chocolade en witbrood. Ze hadden nog nooit zoiets lekkers gegeten maar helaas kregen ze meteen buikpijn omdat ze dit niet gewend waren
Toen ze naderhand buiten gingen kijken zag ze dat het overal brandde in Tuddern.

De volgende dag kwam een vrachtwagen voorrijden en moesten ze vertrekken uit hun woning. Het huis werd opgeëist en bovendien werden er in de tuin overal mortieren opgesteld en werd er van daaruit richting Selfkant geschoten. Op een gegeven moment was er zelfs een soldaat in de tuin gesneuveld toen een mortier weigerde en vervolgens toch afging toen hij deze wilde controleren.

De soldaten hadden echter geen rekening gehouden met haar moeder die resoluut zei: “Dat moet een vergissing zijn. Wij hebben opdracht gekregen (wat helemaal niet waar was en ze ter plekke verzon) om hier te blijven en voor de soldaten te zorgen.” De vrachtwagen vertrok en ze mochten blijven. Ze kregen het achterkamertje toegewezen.

Inmiddels keerden de eerste soldaten alweer terug vanuit Tuddern en omgeving. Op een van hun vrachtwagens brachten ze aantal kolenfornuizen mee die ze ergens uit de huizen gehaald hadden en waar in sommige de kolen nog gloeiden.
In de houten schuur sloegen ze een gat in het dak, staken daardoor een pijp naar buiten en begonnen met koken. Vader ging uit voorzorg helpen, bang dat er brand zou uitbreken.

De kolenfornuizen die weigerden te branden probeerden ze aan te maken met een flinke scheut brandstof en zo werd er vervolgens gekookt. Natuurlijk mochten het gezin mee-eten en ook nu weer in begin met buikpijn tot gevolg. Moeder hielp vaak mee en deed ook voor velen de was.

In die tijd rookte Sieke haar eerste sigaret. Haar oudere broer liet haar en haar andere broer en zus meeroken zodat zij niets tegen vader en moeder zouden zeggen. Die ontdekten het snel genoeg toen ze de rook waarnamen en de kinderen bleek en hoestend aantroffen.
Sieke heeft ook nooit vergeten dat op een bepaald moment mensen richting Tuddern gingen en terugkwamen met de raarste zaken die ze dan ergens weggehaald/geplunderd hadden. Zo vertelde ze dat er ook iemand terugkwam met een koe en Sieke wist zeker dat diegene nog niet eens een schuurtje of tuin bezat.

Na verloop van tijd vertrokken de Amerikanen en kwamen er Engelse soldaten in huis. De Engelsen hadden minder te makken dan de Amerikanen. Deze Engelse soldaten waren vermoedelijk van een verbindingseenheid. Ze vertrokken meestal ’s avonds om aan het front kabels te leggen en het gebeurde regelmatig dat er een soldaat niet terugkeerde. Een van hen, Bob Goodfellow, had een speciale band met Sieke. Hij had zelf kinderen van haar leeftijd. Hij heeft zelfs destijds een nog een tekening gemaakt van het huis met de slagboom.

page4image617460688

Sieke is nooit het moment vergeten dat de inwoners van de Selfkant naar kamp Vught moesten vertrekken. Voor hun huis stonden de vrachtwagens die de mensen – nadat ze veel bagage ter plekke achter moesten laten – weg brachten. De familie Grein, (de koster van Millen) moest de hond achterlaten. Moeder Hausmanns gaf de hond onderdak maar na een aantal maanden is de hond toch weggelopen.

Ook in de Stadbroeker molen (de molen Roufs) waren Engelse soldaten ingekwartierd. Op een gegeven moment bleek dat een van de soldaten die bij hen in huis woonde een broer was van de soldaat die ingekwartierd was in de molen. Die twee hadden elkaar sinds het begin van de oorlog niet meer gezien. Dat was een emotioneel weerzien en een reden om een feestje te vieren.

Toen de soldaten op een gegeven moment erachter kwamen dat Sieke de volgende dag jarig was, vertrokken ze meteen richting Duitsland en kwamen terug met – waarschijnlijk niet gekocht in een winkel – allerlei cadeaus, waaronder een kinderservies waarmee zij als kinderen nog vaak gespeeld hebben.

In 1946 werd Sieke door Bob Goodfellow uitgenodigd om naar Glasgow te komen en heeft ze een maand bij het gezin gewoond. Ook daarna is Bob met zijn gezin nog bij hen op bezoek geweest. Helaas is dat contact verwaterd.

De kinderen speelden later nog vaak “soldaatje” met de spullen die soldaten achter gelaten hadden. In de tuin lagen nog heel wat hulzen.
Op de muur waren nog vaag de letters PW
( Prisoner of War) te zien. Volgens Sieke had daar een Duitser met zijn natte kleren met daarop deze letters tegen de muur geleund. Sieke heeft vaak verteld dat de Amerikanen op een gegeven moment enkele Duitse krijgsgevangenen meebrachten en dat deze zich toen in de keuken mochten warmen omdat het buiten zo’n slecht weer was.
In huis heeft ook nog lang een portret van Sieke gehangen, met op de achtergrond de Nederlandse vlag, en getekend door een van de soldaten.

Sieke Hausmanns overleed 23 februari 2017.
Zij had haar zoon vaak dit verhaal verteld maar had nooit gedacht dat later nog iemand in dit verhaal geïnteresseerd zou zijn.

Met dank aan Frank Heesakker voor dit verhaal

page5image638053264