Maria, Catharina, Petronella, voor gewone mensen, Mary, Frusch. 19222021

Ein Zittesje wiesvrouw.

Het verhaal van Maurice van Opdorp; “Een leven lang vroedvrouwenschool.” was aanleiding om mevrouw Frusch-Frusch te gaan interviewen.

“Aan het begin van de negentiende eeuw werden in Nederland talrijke klinische scholen opgericht met het doel de ”aankweeking van Heelmeesters en Vroedvrouwen.” Meestal waren deze scholen gevestigd in plaatsen waar meer gasthuizen het klinisch onderwijs mogelijk maakten. In de 17e eeuw schijnt er in Maastricht al een opleidingsschool voor vroedvrouwen te hebben bestaan.

Begin 1900 waren er drie kweekscholen voor vroedvrouwen in Nederland. Allemaal boven de rivieren gevestigd. Groningen, Amsterdam en Rotterdam. Maar weinig vrouwen uit de zuidelijke provincies volgden een opleiding. Het gevolg hiervan was een bedroevende situatie van de verloskundige hulp, waardoor zuigelingensterfte in Brabant en Limburg aanmerkelijk hoger was dan in de noordelijke provincies. Door de armoede en de industrialisatie waren de jonge moeders ook nog eens gedwongen de baby onder te brengen bij verzorgsters als ze zelf in de fabriek gingen werken. De borstvoeding kwam hierdoor in het gedrang met het gevolg een slechte ontwikkeling van de groei van de baby of zelfs sterfte van het kind. Ook was de hygiëne in de samenleving nog niet goed ontwikkeld. Door de toename van de fabrieken en de arbeidende bevolking groeide in Zuid Limburg, ondanks het hoge sterftecijfer, het aantal geboorten sterker dan elders in Nederland.

Dr. Clemens Meulemans, vrouwenarts in Leiden, was een van de eersten die de nadruk legde op de noodzakelijkheid van een katholieke vrouwenschool in het zuiden des lands. Zijn pleidooi sloeg aan en de regering in den Haag stemde in met de stichting van een vroedvrouwenschool in Limburg. Er kwam geld van de regering en de provincie om plannen te maken. Op dat moment kwam de gemeente Heerlen in actie en bepleitte de vestiging van de vroedvrouwenschool in haar gemeente. Immers de oostelijke mijnstreek groeide snel en de problemen van de streek waren gediend met een betere verloskundige zorg.

In de Akerstraat werd het eerste gebouw van de vroedvrouwenschool Wilhelmina gebouwd en geopend in februari 1913. Met twaalf leerlingen werd gestart en de eerste zwangere, die zich aandiende, was een ongehuwde.

Voor Dr. Meulemans was dat een voorval dat hem bracht op de nood van baby en ongehuwde moeder. De baby had er in ieder geval niet om gevraagd om op deze manier op de wereld te komen. De jonge moeder werd veelal als paria behandeld in de familie en  buurt. Hij speelde met de gedachte om ook opvang te bieden aan deze “klanten.” Al snel was er een grote behoefte aan deskundig onderwijzend en verzorgend personeel. De nonnen van de congregatie van de Heilige Joseph werden ingeroepen voor de verpleging van de kraamvrouwen en het voeren van de huishouding. Maar dat ging niet van een leien dakje en in 1916 waren de nonnen weer verdwenen. Leken namen hun taken over.

Het nieuwe gebouw op Hoog Hees gaf ruimte aan de vroedvrouwenopleiding, de opleiding tot kraamverpleegkundigen en kraamverzorgsters. Er kwam een kliniek voor vrouwenziekten en een grote vleugel voor de huisvesting van de ongehuwde moeders met hun baby’s. Voor de leerlingen waren er studentenkamers. Een speciale quarantaine afdeling werd ingericht om patiënten met besmettelijke ziekten te kunnen opvangen.

De kapel naast het moederhuis wordt in 1935 in gebruik genomen. Een hele stroom missen en doopplechtigheden zullen in de loop de jaren hier gevierd worden.

In 1938 werd de 10.000 ste baby geboren.

In 1987 wordt er in Den Haag beslist dat de vroedvrouwenschool moet verhuizen naar Kerkrade en zich moet aansluiten bij het ziekenhuis St.-Jozef. Er wordt nieuw gebouwd en in 1993 vertrekken de medewerkers en leerlingen naar Kerkrade.

Het oude gebouw staat vanaf 1987 leeg. Dat blijft een aantal jaren zo. Uiteindelijk weet een projectontwikkelaar het te verwerven, plannen te maken voor een wooncomplex met zorg voor ouderen. De vroedvrouwenschool krijgt haar oude luister weer terug. De nieuwbouw harmonieert redelijk met de oudere gebouwen. Alleen de hoge torenflat zal nog wel lang stof doen opwaaien.

Bij het 100-jarige bestaan werd Mary Frusch geïnterviewd. Haar moeder was ook verloskundige. Beiden hebben hun opleiding  in Heerlen genoten. In de tijd van moeder was de school nog op de Akerstraat. Het wordt tijd dat we dochter Mary aan het woord laten.

“Mijn moeder afkomstig uit Noord-Holland was katholiek en Heerlen was de enige katholieke opleiding van het land. Zo ging dat in die tijd.”

“De achternaam van mijn man is ook Frusch. De familieband was ver genoeg weg om buiten alle dispensaties te kunnen trouwen. We zijn getrouwd in de granatentijd. 21 November 1944. Sittard was op 18 september bevrijd door de Amerikanen.”

“Als kind woonde ik op de Engelenkampstraat. Heel mijn leven heb ik daar gewoond. Naast ons woonde “ tant” Veronica Gieskens en daarnaast was sigarenzaak Landuyt. Mijn kinderen Brand (uitspreken als Brent), Stan en Marlies wonen nu ook nog in de buurt. Mijn oudste dochter woont in Mexico. Zij is arts. Om een vergunning als arts te mogen werken te verkrijgen, moet je daar nog een examen afleggen. Zij moest zelfs de rapporten van haar lagere school overhandigen. Dat gaat u mij toch niet vragen? “ zegt ze tegen ons.

“De oudste zoon van mijn dochter in Mexico studeert nu in Leuven gynaecologie, met als specialisatie hulp aan vrouwen die geen kinderen kunnen krijgen.”

“Ik heb 7 jaar lager school gehad bij de Ursulinen op de Rosa school. Er was ook een Maria school. De eerste klas was bij juffrouw Erkens, dan juffrouw  Pörteners, juffrouw Eijckeler, dan nog juffrouw Van Dijk die in de stad woonde in de buurt van drogist Durlinger, naast Herzdahl Horn. Van juffrouw Van Dijk kregen we Franse les. Ik heb ook nog les gehad van Mère Rafael. Na de lagere ging ik naar de MULO bij de Ursulinen in het gebouw aan de Oude Markt. Daar waar nu hotel Merici ligt. Na de MULO moest ik van mijn ouders naar de Graal in Geleen. Daar was ’s middags een naaischool. Het was een soort huishoudschool om wat bij te leren net zo goed als je naar de kookles ging op de huishoudschool aan de Wal. Toen de Duitsers kwamen ben ik niet meer naar Geleen gegaan. Een jaar later moest ik van mijn moeder naar Heerlen. Naar een opleiding voor huishoudkundigen. Het was een eenjarige cursus. Dagelijks met de trein “op en neer.” Je kwam niet zo maar op die school. Het was geen gewone huishoudschool. Men leidde je er op tot huishoudkundige, bedoeld voor mevrouwen, om te leren hoe je een huishouden moest leiden. Je leerde o.a. hoe je een dienstbode aanpakte. In die jaren had iedereen een dienstbode. Heb ik zelf ook gehad, iets dat nu onbetaalbaar is. Maar vroeger had je intern een meisje, iets dat nu alleen is weggelegd voor de koningin.”

“Na de opleiding voor huishoudkundige heb ik me aangemeld bij de vroedvrouwenschool. Daar moest ik een toelatingsexamen doe. Ik werd aangenomen. Dat was tijdens de oorlog maar de opleiding ging gewoon door. In het eerste jaar mochten wij, de leerlingen, nog naar evenementen in de stad. Maar toen kwam de “Kulturkammer” wij mochten van dokter Lubbers er niet meer naar toe. Omdat ik tijdens de oorlogsjaren intern was bij de vroedvrouwenschool weet ik van het reilen en zeilen in Sittard gedurende die tijd weinig of niets. De opleiding duurde drie jaar.”

“Dokter Lubbers was directeur. Dan had je nog de twee gebroeders doktoren Driessen; de een was gynaecoloog de ander kinderarts. Verder waren er nog een paar interne assistenten. Het aantal leerlingen was afhankelijk van het aantal geboortes in het betreffende jaar. Zo was dat toen de regel. Ik ben inmiddels 70 jaar geleden afgestudeerd. 21 Jaar was ik toen ik mijn diploma behaalde. Het waren in die tijd alleen maar meisjes die daar hun diploma behaalden. Er zaten ook maar drie protestantse meisjes. De rest was rooms. Het was een echte katholieke school. Er was echter geen verschil in voorschriften of regels voor katholieke vroedvrouwen of andersdenkende vakgenoten.”

“We hebben heel wat geleerd tijdens de opleiding. Boeken vol over het menselijk lichaam, over de hersenen, inwendige organen en wat al meer. Ik ben echter geen baakster of kraamverzorgster. Ik was en ben een vakvrouw die de eed aflegt dus moest ik ook van de rest een hoop afweten. Zo gauw als je echter klaar bent laat je die ballast vallen want dat heb je in de praktijk niet nodig. Dan heb je alleen met verloskunde te maken.”

“In het eerste jaar heb ik weinig praktijk gedaan. Wel moest ik iedere morgen om 6.00 uur inde kliniek zijn. Ik was leerling-vroedvrouw. Mijn vader betaalde om mij daar te laten studeren. De verpleegsters die hun kraamaantekeningen kwamen halen verdienden een tientje ( maand) ?. Die vielen onder de arbeidswetten. Wij waren leerlingen. Met ons konden ze doen en laten wat ze wilden. Als ik vroege dienst had, kreeg ik een kwartier tijd om te ontbijten. Daarna begonnen de lessen. ’s Middags moesten we weer op de afdeling zijn want dan hadden de verpleegsters pauze. Zij konden dan eten en hadden een paar uur vrij. Daarna hadden wij weer lessen en ’s avonds moesten we weer avonddienst doen tot 10.00 uur maar als je niet klaar was werd het ook wel 11.00 uur. In die oorlogsjaren ontdekte ik hoe dicht de vroedvrouwenschool bij Aken ligt. Om de haverklap ging het luchtalarm. De geallieerde toestellen vlogen over ons heen. Bijna elke nacht moesten we uit bed. Men went wel aan die oorlogsomstandigheden. Als ik nu de beelden van een oorlog zie en ik zie de mensen over straat lopen dan denk ik: “Ook die mensen wennen aan de situatie want men moet toch eten vinden etc.”

“Ik heb in april mijn examen gedaan maar tot 15 augustus moesten wij van school uit gaan assisteren  bij een vroedvrouw die “ op vakantie wilde”. Dan moesten wij gaan vervangen en zo leerden wij de huispraktijk kennen. Want een bevalling doen thuis of in een ziekenhuis dat is een groot verschil. In een ziekenhuis mag je steriel staan en dan doen anderen het werk om je heen. Maar thuis heb je maar twee handen en moet je die vrouw helpen. Dat is toch heel ander werk.”

“Als piepjong vroedvrouwtje kwam ik 15 augustus dus thuis. En meteen kreeg ik de vuurdoop. “Sjteine Sjloes” zal ik nooit vergeten. Daar woonde destijds de familie van Beers, die later een viswinkel hadden waar Horn eerder een slagerij uitbaatte. ’s Nachts gaat de bel. Mijn moeder zegt: “Wil jij naar die bevalling gaan?” Dat wilde ik wel. Beneden staat een man en alles is verduisterd. Een man met een grote hoed op. Ik vraag: “Waar woont u?” Op de Stenen Sluis. Het is augustus en het is nog stikdonker. Toen liep de beek nog daar. Vroeger had je aan de rechterkant overal bronnetjes. Dus aan de ene kant de beek en aan de andere kant het pad en dat kronkelde ook nog zo. Ik liep te sidderen van de angst. ( Marijke en ik zien haar lopen, zo spannend vertelt ze nu nog.) Stikke donker, een kerel naast me waarvan ik het gezicht niet had kunnen zien, met een donkere hoed op en die amper wat zei. Die hard liep omdat hij terug naar zijn vrouw wilde. Ik daar met mijn tasje naast. Toen ik eenmaal binnen was en die vrouw zag, wist ik opeens dat ’t allemaal normaal was. Dat had ik in Heerlen al meegemaakt.”

“Ik weet nog goed dat ik naar mijn eerste bevalling ging, ‘t Was het eerste kindje en dat duurde een beetje lang. Het eerste kindje duurt altijd een beetje langer en in de huispraktijk bleven we altijd nog twee uur bij de moeder i.v.m. eventuele nabloedingen. Dat was gebruikelijk. We hadden niet die spuiten die ze tegenwoordig allemaal hebben. Mijn vader maakte zich ongerust en zei tegen mijn moeder: “Ga nou toch eens kijken of ze het wel goed doet. Ze blijft zo lang weg.””Niks ervan, ze moet daar toch doorheen,”zei mijn moeder.”

Haar verhaal gaat verder. Weer over haar opleiding.

“Tijdens de oorlog hebben ze bij de vroedvrouwenschool wel joodse kinderen weggehaald uit de zuigelingenafdeling. Die werden op transport gezet. Wij moesten ze naar het station brengen. De Duitsers waren exact op de hoogte van de aantallen en de namen. Het was een heel stelletje dat er destijds in de vroedvrouwenschool lag. Waarschijnlijk uit voorzorg in de hoop dat ze daar veilig waren.”

“Zuster van der Drift was de meesteres vroedvrouw. Er is een foto van haar waar ze met tien baby’s op haar wagen loopt. Dat betekent dat er die dag toch zo’n tien baby’s geboren waren. Het was een grote kliniek met prachtig wit marmer. In mijn ogen destijds een schitterende kliniek. De mensen kwamen overal vandaan, ook uit Sittard. ( dat klopt want ik ben er 5 november 1931 geboren. Baer) Er kwamen veel mensen naar de kliniek omdat je dan thuis niet overal voor hoefde te zorgen. Er was nog overal armoe op ieder gebied. Thuis had je de vuile was er gratis bij. Daar had je bij een bevalling in de kliniek geen last van. Je kreeg eten. Je hoefde niemand iets te presenteren. Mensen die op bezoek kwamen , kregen net als in een ziekenhuis, niets. Daarom kwamen er een hele hoop die anders normaal niet naar de vroedvrouwenschool zouden komen. Ze waren dan van een boel werk verlost. Men had er geen indicatie voor nodig. Ik weet niet of de verzekering betaalde want daar had je als leerling niets mee te maken. Ik weet wel dat er drie klassen waren. De zaal, een eerste en tweede klas. Op de zaal lagen ze met 8 personen, 4 en 4 met baby’s erbij. De wiegjes stonden aan het voeteneind. Bij de tweede klas lagen er twee op een kamer en bij de eerste klas lag er een. De bediening was beter. Allemaal wat chiquer. Met zilveren kommetjes om je vingers te wassen en zoiets allemaal. Dat was natuurlijk niet voor de zaal. We kregen op een dag een hele rijke boerenvrouw binnen maar we moesten haar voeten eerst in een sodabad stoppen om ze schoon te boenen. Zij lag ook eerste klas want die had de centen maar ze was zeer zeker niet schoon.

“Vroeger was het de gewoonte dat kinderen binnen drie dagen gedoopt werden. Nu kunnen ze beter beoordelen of een kind echt gezond is. In die dagen was dat nog voor de veiligheid, anders kwam je niet in de hemel. Dus was het de gewoonte dat ze binnen drie dagen gedoopt werden. Als je dus die dienst had, moest je ook die kindertjes aankleden en hen naar de kapel brengen. De vroedvrouwenschool had een eigen kapel. Ik ben wel eens met ongehuwde moeders naar het gemeentehuis geweest. Die moesten dan hun kind erkennen. Ik weet niet meer of ik in de vroedvrouwenschool wel eens getuige ben geweest. Ik weet wel dat ik later in Sittard, als bv. een meisje trouwde met een kerel uit Groningen of iemand die hier naar de Staatsmijnen was gekomen en het was iemand zonder geloof of een protestant en er kwam een kindje, dan werd er toch gedoopt om de familie niet voor het hoofd te stoten. Dan werd er zogenaamd van die kant ook een peter of meter benoemd en eentje van de andere kant. Zo ging dat in die tijd. Dan gaf de pastoor of de kapelaan mij een knipoogje en zei: “Ik schrijf jouw naam er ook bij.” Dan was ik dus de geldige doopgetuige. Die anderen konden natuurlijk niet verantwoordelijk zijn voor een katholieke opvoeding hetgeen toch de bedoeling was van een doopgetuige. Hij of zij was verantwoordelijk voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind. Nu is dat allemaal minder belangrijk. Nu staat meestal het feest voorop. Zo kan het ook gebeuren dat ik bij de slager stond en iemand mij aanspreekt en zegt: “U bent mijn peettante.” Al weet ik hun namen niet meer. De vorige week sprak iemand mij aan bij Blokker. “U bent toch Mary Frusch?” Toen ik dat beaamde zei ze: “Dan hebt u mij gehaald.” God allemachtig, hoe weet ik dat nou, ik ben 91, welke kinderen ik in die twintig jaar dat ik vroedvrouw was, op de wereld heb geholpen. Na die 20 jaar heeft mijn zusje de praktijk overgenomen. Zij kreeg kanker daarom heb ik de tien jaar dat ze nog leefde, haar geassisteerd als zij twee of drie bevallingen had.”

“Ik zat dus tijdens de oorlog, zoals reeds gezegd, op de vroedvrouwenschool. We mochten niet naar huis. Het bestuur was bijna dictatoriaal. Men moest het verblijf betalen. Zelfs in het weekend mocht ik niet naar Sittard. Dat vond ik niet zo erg. We waren er met allemaal jonge meiden onder elkaar en het was vaak dolle pret. Ik deed tegelijk met twee nichtjes toelatingsexamen. Waarschijnlijk ben ik daarom ook aangenomen, want ik had een twee voor rekenen. Ik had wel de MULO afgemaakt maar daar leerde je handelsrekenen en boekhouden maar het puur rekenen, vraagstukken oplossen daar had ik geen “sjoege”van. Om me toch enigszins te prepareren op dat toelatingsexamen had ik aparte lessen genomen bij mère Simon. Dat was een non van twee meter lang. Ze was in de missie geweest. Ze heeft oprecht geprobeerd mij rekenen bij te brengen. Ze zette Z.G. onder mijn werk en ze vroeg: “Weet je wat dat betekent?”Ik zei: “Ja. Zeer goed.” Nee zei ze. “Dat betekent Zeker Gène,”want ze wist dat mijn vrijer, later mijn man, Gène heette. Zij begreep heel goed dat ik geen rekenkundige was.”

“Mijn man heb ik leren kennen toen hij achter mij aan ging sjouwen tijdens een St.-Rosakermis. Hij zocht steeds toenadering en kwam al spoedig bij ons thuis. Of hij mij miste tijdens mijn opleiding weet ik niet. Hij ging studeren in Delft totdat de Duitsers zich met studie en studenten gingen bemoeien. Toen stopte hij en ging hij een jaar als grondwerker aan ’t werk bij de Heidemaatschappij. Sleuven en sloten graven. Zodat mijn moeder zei: “Wat moet je toch met zo’n knul?” Toen is hij naar de HTS in Heerlen gegaan. Die rondde hij af in twee jaar tijd. De vroedvrouwenschool lag dichtbij maar wij konden “bi elkander niet comen” zoals het in ’t gedicht gezegd wordt. Dokter Lubbers controleerde alles. We hadden een kaart en als we naar de stad wilde dan moesten we bij de nonnen toestemming vragen. Bv. “ Ik heb een paar uur vrij, mag ik even naar Heerlen om wat boodschappen te doen?” Dan tekenden zij de kaart af zodat de portier kon zien wanneer je wegging en hoe laat je terugkwam. Voor tien uur ’s avonds moesten we binnen zijn. We hebben natuurlijk ook wel eens een vrije dag gehad tussendoor. Dan liepen we in de vroege ochtend naar het station om de eerste trein naar Sittard te pakken om zo lang mogelijk van de dag te kunnen genieten.”

“Er waren wel tijden dat we vanwege de schaarste ’s morgens maar twee sneetjes zwartbrood kregen bij het ontbijt met een klein schepje “fluitenkaas”zo’n soort ingedikte melk. Hangop. Moedermelk was geen probleem. Als een moeder te weinig had, werd bij een andere moeder aangelegd.”

“In een huis iets verderop als waar wij woonden, werden Duitse zwangere vrouwen ondergebracht. Die moesten met de ziekenwagen opgehaald worden. Als ze belden moesten wij aantreden want dat betekende dat de bevalling begonnen was. Ik heb een keer een kindje gehaald in de ziekenwagen en ik heb een keer op een boot een kindje gehaald. Dat was in Born. De plaatselijk vroedvrouw was een paar dagen naar haar verloofde, die ondergedoken zat. Toen werd er ’s nachts gebeld en stond er een schipper aan de deur. Die was eerst naar de dokter gegaan want zij waren gewend een dokter als verloskundige te hebben maar dokter Duysens zei: “Ik doe geen bevallingen dan moet je naar de vroedvrouw gaan.” Onder protest kwam die schipper naar mij. Hij was de vader op zoek naar hulp voor de barende dochter. Aan het einde van die boot was de kajuit van de knecht en daar woonde de dochter met haar man. Ik heb daar een dwarsbed moeten maken want in zo’n kajuit met stapelbedden is het moeilijk werken. Alles ging normaal en goed. Toen ben ik in ’t donker die lange schuit afgelopen en kreeg ik in de kajuit van opa en oma een bord karnemelkse pap en van die schipper een tientje. Dat was veel in die tijd. Van de mijnen kreeg ik voor een bevalling 9 gulden. Dat wil zeggen , voor je vooronderzoeken en de bevalling. In die dagen waren er nog geen kraamverzorgsters maar wel allemaal goede buren en familie. Maar als er iemand was met een grote “ruptuur”(inscheuring ) dan zei ik toch: “Die was ik liever zelf.” Ook als er iets was met ’t naveltje dan bemoeide ik me liever zelf met de verzorging. Oppassen voor infectie was de boodschap. Je kunt natuurlijk niet verwachten, in de buurten waar ik af en toe kwam, dat de hygiëne boven in het vaandel stond. De meeste zwangere vrouwen meldden zich pas als ze 5 of 7 maanden waren. Er werd wel al bloed geprikt i.v.m. de resusfactor. Dat heb ik als bijscholing gehad. In mijn opleidingstijd was dat nog niet bekend. Dat hebben de Amerikanen meegebracht evenals het godsgeschenk Penicilline. Ook een zalf tegen trombose. Als we een trombosepatiënt op de vroedvrouwenschool hadden dan moest je die met “4 of 6 mensen” tillen. Zo bang waren ze. Die lagen op een geïsoleerde afdeling. Daar mocht niemand komen als alleen diegenen die er werkte. We hadden aparte schorten voor dat werk. Je was ook doodsbang dat er kraamvrouwenkoorts zou uitbreken want dan gingen die vrouwen dood. Ook aan trombose stierven vaak vrouwen omdat die embolie dan doorschoot. “

“Dan brengen die Amerikanen ineens een zalf mee. Die moest je smeren op de plek waar de trombose zich bevond. Dan hoefde je geen angst meer te hebben want dan werd dat “ding” opgelost. Zij brachten ook spul mee tegen luizen, scabiës en alle ongedierte. In die jaren wipten de vlooien in de bedden, hoor. Ik ben nooit bang geweest voor vlooien en ook niet voor luizen. Die heb ik nooit gekregen maar als een patiënt scabiës had, ook al bleef ik ver van haar bed staan, dan kreeg ik het toch te pakken.”

“Vroeger werden kraamvrouwen nog gewikkeld in een sluitlaken. Ze mochten ook niet opstaan. De twaalfde dag gingen ze naar huis. De negende dag mochten ze een half uurtje op. De volgende dag wat langer en dan, zoals gezegd, de twaalfde dag naar huis. Tijdens die periode bleven ze absoluut liggen. De mensen hadden ook zo’n bepaald idee dat opstaan gevaarlijk was en verzakkingen veroorzaakte. Er waren ook wel buurten waar moeders na die of vier dagen weer op de been waren. Tegenwoordig is dat allemaal niet meer van belang. Nu staan ze een uur na de bevalling al op. Ze gaan onder de douche en vertrekken naar huis.”

“Toen mijn man na de oorlog naar Indië moest, had hij een oppasser uit Zeeland. Die had een vriendin en mijn man schreef me met het verzoek haar eens uit te nodigen in Sittard. Dat heb ik gedaan. Dat kind kwam van de eilanden, die strooiden thuis nog zand op de vloer. Die vond ons huis op de Engelenkampstraat een kasteel. Zo lag dat deel van Nederland nog achter en dan praten we over 70 jaar geleden. Ik weet nog dat ik met haar een uitstapje maakte naar Valkenburg. In de bus kwamen we door Spaubeek, waar de halte bij de kerk was. Daar kwam een stoet naar buiten met een kindje op de arm. De vroedvrouw, peter en meter en de vader, zoals meestal gebeurde, rechtstreeks het café binnen. Zij was streng protestants en vroeg zich verbaasd af hoe men aan dit gebruik kwam. Daar heb ik nooit aan meegedaan. Dat hebben ze wel eens geprobeerd als ik op een dorp de bevalling gedaan had. “Kóm veer gaon ós eine pitsje oppet nuut kiendje.” Dat weigerde ik categorisch. Dat vond ik beneden mijn waardigheid. Hier in Sittard was dat niet zo speciaal gebruikelijk. Wel was er na iedere geboorte een doopfeest. Dat ik in die jaren niet kogelrond was moet je als een wonder zien. Vier, vijf, zes vlaaien, dan kwam de koek en vervolgens nog een slagroomtaart. De pastoor of priester die gedoopt had, werd steevast uitgenodigd. Dan zette ik die altijd vlak bij mij opdat hij zich niet ongelukkig zou voelen want we kwamen natuurlijk in alle lagen van de bevolking. Soms moesten ze een extra kopje uit de kast halen waar vingerdik stof op lag. Zo’n sierkastje, weet je wel. Och ja ’t water had in ieder geval gekookt. Maar ook op ’t kamp heb je nette mensen en minder nette. Er waren ook nog niet veel andere culturen. Alleen Walda. Dat was een echte zigeunerin. Haar zusje heb ik ook geholpen. Die kwam uit België maar zij wilde bij Walda bevallen. Walda had altijd alles pico bello in orde als ze ging bevallen. Ze had een prachtige wieg met kantjes en alles. In die tijd had je wel al Polen. Andere buitenlanders zijn pas na de oorlog gekomen. Mart van Miet Willems ging naar het buitenland, Sardinië, om mijnwerkers te werven voor de staatsmijnen. Daar hebben we al die Italiaantjes van gehad.

Mary’s moeder was ook vroedvrouw. “Mijn moeder is in 1921 getrouwd, 8 september op een Mariadag in Limmen in Noord-Holland. Samen met mijn vader is ze verhuisd naar Sittard. Vanaf die tijd werkte ze samen met madame De Bruijn, een echte Sittardse, die destijds zo wat iedere baby in deze contreien op de wereld hielp komen.”

Over de oorlogstijd.

“Als tweede-jaars studente in Heerlen kreeg ik te horen dat mijn moeder door de marechaussee was opgehaald en naar de gevangenis moest. Ik wilde naar huis maar dokter Lubbers weigerde mij toestemming te verlenen. Hij zei: “Je kunt toch niets doen, je bent nog niet klaar, je bent nergens toe bevoegd, dus wat ga je thuis doen?” Zuster Oosterbosch, de hoofdverpleegster gaf mij toch een middag vrij af. Dat mens heb ik dus in mijn hart gesloten, dat begrijp je wel.”

“Het was winter 1942. Ik weet dat ik met kerstmis heb zitten huilen tijdens de nachtmis. Mijn moeder zat in de gevangenis. Maar waar wisten we niet. Uiteindelijk heeft mijn broer te horen gekregen dat ze in het “Oranje Hotel” in Scheveningen zat. In den Bosch waar de veroordeling plaats vond kreeg ze te horen dat ze een meisje van vier jaar zwanger verklaard had. De aanklacht luidde: “Het onttrekken van voedsel aan de Wehrmacht.”Ze kon duidelijk maken dat er met de stamkaart duidelijk geknoeid was. Zoiets gebeurde in die tijd om onderduikers van voedsel en kleding te voorzien. Jouw vader, André Smit, die destijds op het distributiekantoor werkte, heeft voor hetzelfde feit in Scheveningen, Amersfoort en Vught gezeten. Maandenlang heeft mijn moeder onder behandeling van dokter Schiphorst, de neuroloog uit Heerlen gestaan. In Sittard was er in die tijd nog geen neurologie poli. Na de behandeling in den Bosch stond mijn moeder op het station met haar jas binnenste buiten gekeerd uit angst dat men haar zou herkennen en weer zou oppakken. Daar stond de heer Daniëls van de winkel met schrijfbehoeften van de Markt in Sittard toevallig ook en die heeft haar toen onder zijn hoede genomen. “Kóm mer mevrouw Frusch, zeet noe mer neit bang mee, ich brèng uch nao hoes.” Hij heeft haar uiteindelijk heelhuids aan de deur afgeleverd.”

“Omdat het meteen na de bevrijding nog onveilig was in Sittard kreeg ik aparte toestemming ‘s avonds op straat te mogen zijn. De politie kende mij en dan zei Tanja, een bijzonder aparte politieman, : “Daar heb je haar weer zonder licht.””

“Ik had een praktijk aan huis. Er waren meer vroedvrouwen in Sittard. Juffrouw Kuppens op de Rijksweg. Die is later met notaris Stelten getrouwd. Roos Kuppens heeft de praktijk van madame De Bruijn overgenomen. Toen zij naar Wittem verhuisde omdat haar man daar een notarispraktijk kreeg, is juffrouw Martens gekomen. Het was hard werken als vroedvrouw. Dag en nacht eigenlijk  24 uur jaar in jaar uit, totdat mijn man zei: “Nu is ’t genoeg geweest.” Nu werken ze met twee of drie man in de praktijk. Toen stond je moederziel alleen, evenals de doktoren destijds. Ik ben natuurlijk wel eens op vakantie geweest maar de halve tijd zat je te denken: “Zou dat wel goed zijn gegaan? “ Want die heeft een bloeding gehad vorige keer. Zouden ze daar wel rekening mee houden. Tegen het einde van de vakantie kwam je pas tot rust. Maar dan kwam je thuis en begon het jachtseizoen weer.”

“Zelf heb ik zes kinderen gehad. Dankzij mijn moeder, de verloskundige, kon ik lang in bed blijven liggen. Zij deed in het begin van mijn zwangerschap al het nachtwerk. Mijn vader verzorgde mij eveneens. Ik woonde toen bij mijn ouders in hetzelfde huis omdat mijn man naar Indië werd uitgezonden. En dat twee en een half jaar lang. Het was een enorm huis dat mijn vader heeft laten verbouwen. Mijn ouders zijn toen op de eerste etage gaan wonen. Daar hadden ze hun eigen badkamer en wc. Ze hadden twee doorlopende kamers aan de voorkant en de achterkant een keuken en een slaapkamer. En ik zat daarboven met vier slaapkamers en een badkamer. Daarbij had ik het hele benedenhuis plus alle kelders van waaruit we zo naar buiten konden lopen richting Wier, Het was een soort souterrain. Je hebt geen idee hoe groot die huizen zijn. Het dienstmeisje sliep ook bij ons. Die had ook een eigen kamer.”

“We hadden een hele soepele samenwerking met het ziekenhuis. In die jaren konden we daar een bevalling doen. Toen de gynaecologen kwamen werd het taboe voor de vroedvrouwen. Je mocht er wel je patiënten brengen maar zelf de bevalling doen was er niet meer bij. Nu is het weer veranderd maar toen dokter Matlener kwam en later Schellen beschouwden zij ons als concurrenten. Wij deden in die jaren de bevalling thuis, tweelingen, stuitliggingen dat was allemaal normaal. Als je er onverwacht voor kwam te staan moest je dus weten hoe je dat kind eruit haalt. Als je het nu van te voren weet zeg je: “Ziekenhuis.” Daar hebben ze hun narcoseapparatuur en de transfusieapparaten die wij aan het front niet hadden. Ik ben dus ook opgeleid in een tijd dat we die materie ook beheersten. We mochten bv. geen tang doen maar een versie of extractie, waar zich nu geen enkele gynaecoloog meer aan waagt, moesten wij op ons examen kunnen doen. Dus een kind terug duwen en dan aan een been er zo uithalen. Een collega van mij, een hele knappe studente, zakte daar op omdat ze het niet goed deed op het fantoom tijdens het examen. We deden om het jaar examen. Het eerste jaar theoretisch het tweede jaar praktisch. We hebben later in een bijscholingscursus leren hechten. Als je dat heel snel na de bevalling doet, dan voelt de patiënt daar niets van door de oprekking en alles wat er plaatsgevonden heeft. Als je op de dokter moet wachten, vooral ’s nachts, dan verlopen er uren en is zo’n hechting vrij pijnlijk. Dus wij leerden hechten. Over de resusfactor was in mijn jaren ook nog niet veel bekend. Inmiddels zijn er vele aanvullingen maar het vak blijft verloskunde. Dat is oer. In de oerwouden gaat het op dezelfde manier, gewoon kinderen krijgen. De dieren krijgen ook zo hun jongen. Ik heb een schoonzusje in Kerkrade die ook verloskundige is geworden, die deed de bevallingen in bad. Dat heb ik nooit gedaan.” Tegenwoordig kunnen ze door echo’s en wat dies meer zij, in mijn ogen soms te overdreven, bepalen hoe kinderen een bepaald gewicht etc. moeten hebben en anders maar even opname. Er zijn altijd verschillen geweest. Ik weet nog dat ik bij een Indisch vrouwtje kindertjes haalde die nog geen vier pond wogen. Ik zei dan dat ze naar de couveuse moesten. “Nee, nee, zuster”, zei ze dan. Ja, vroeger heette ik zuster. “Nee, nee zuster, ik heb altijd zo’n kleintjes.” Maar als ze later ziek zijn krijg ik ze op mijn sodemieter, dat ik ze niet heb doorverwezen naar het ziekenhuis,” was dan mijn antwoord.

“Ik vind het geweldig dat ze tegenwoordig alle kindertjes, waar grote mankementen aan zijn, kunnen scannen. Daar had je vroeger alleen maar een vermoeden van. Als je enorm veel vruchtwater had dan dacht je: “Is hier wat raars aan de hand?”De ene keer was het gewoon alleen maar vruchtwater en een andere keer had je een kind met een zware afwijking, een open ruggetje, een gespleten gehemelte of zoiets. Met een houten toeter controleerde ik de harttonen tijdens de bevalling. Als die versnelden dan wist ik dat het kind een beetje zuurstof te kort kreeg maar dan heb je hem nog niet te pakken, hoor. Als er iets ernstigs gebeurde, zoals het niet loslaten van de placenta, met een grote bloeding tot gevolg, dan had je vroeger aan de oude doctoren zoals Garé en dokter Maas uit de Selfkant grote steun. Die waren gewend alles zelf op te lossen, hadden geen ziekenhuis achter zich. Die haalden de placenta gewoon met de hand eruit. Maar had je een jonge arts of was er toevallig een dokter op vakantie en kreeg je een assistentje dan zeiden die: “We zullen nog maar eens even wachten.”Je mag twee uur wachten zogenaamd maar inmiddels kun je bijna doodbloeden. Als ik dan op ’t laatst zei:”Dokter zullen we maar eens,” dan kwam er beweging in. Maar als die oude heren binnenkwamen dan viel een pak van mijn hart. Dan wist ik dat er hulp was. Dat wordt tegenwoordig thuis absoluut niet meer gedaan. Ik denk dat geen huisarts het aandurft.”

“Ik heb ooit een Siamese geholpen in het huis van Van Wessem aan het Kloosterplein. Daar zaten destijds evacué’s. Haar man was van het KNIL. Hij had nog aan de Birma spoorweg gewerkt. Daar had hij zijn vrouw leren kennen en haar meegnomen naar Nederland. Over rassenverschil gesproken; wij worden grauw als we pijn hebben maar die mevrouw werd zo groen als gras. Wat ik ook toen niet wist is dat de Mongoolse rassen geboren worden met een hele blauwe plek onder aan hun rug. De hulp van die vrouw dacht dat ik het kind geslagen had. Die hulp werd, omdat er in die tijd geen kraamhulp was, geleverd door iemand van de pastorie van ds. Coolsma. Later las ik in de verloskundige tijdschriften en hoorde ik tijdens de herhalingscursussen over het fenomeen Mongolentrek.”

“Mijn man heeft lang gediend in het toenmalige Oost-Indië. Toen mijn kind geboren werd heeft mijn moeder radio Holland gebeld en verteld dat luitenant Frusch in Kuala Lumpur zat. Daar moesten ze verblijven omdat de Britten geen Nederlandse troepen op Java toelieten om de regering te dwingen tot onderhandelingen met de Indonesische regering.  Het duurde zes weken voordat de vader wist dat er een zoon geboren was. Eer ik weer antwoord kreeg waren drie maanden verstreken. Zo ging dat toen. Ik heb drie pakjes van hem gekregen, met een sarong en wat van dat Indisch zilver. Ik weet niet meer wat ik betalen moest want de luchtpost in die tijd was niet goedkoop.”

“Toen de jongens terugkwamen werden ze door bussen van de EBAD aan de boot afgehaald. Giel Maessen de zoon van de EBAD directeur was er ook bij. Bij Nieuwstadt werden ze aangehouden door Tanja. De bus moest eerst naar de burgemeester. De jongens mochten er niet uit. Toen zei mijn man: “De burgemeister kan mich de pot op! Ich wil eesj nao mien vrouw.”Toen ze hem beneden bij het huis afzetten, vloog mijn zusje…ik durfde niet naar buiten van de schrik, vloog mijn zus naar buiten en viel hem als eerste om de hals. Giel Maessen zag mijn zusje. De volgende dag was hij bij ons en later is hij met haar getrouwd.”

Bij de terugkomst was het echt feest. De hele buurt vierde dat. Dat was op de verjaardag van mijn man. 18 februari. Het sneeuwde en het hele huis was versierd met lichtjes en veel groen. Dat vond ik romantisch. En happy, happy!

In Indonesië kreeg mijn man malaria. Hij was zoals reeds vermeld, pelotonscommandant en heeft toch wel het een en ander meegemaakt. Ze lagen regelmatig onder vuur en er vielen doden die ze mee terug moesten slepen naar hun kampement. Hij heeft er weinig over gepraat. Ik heb nog een gevlochten korfje waarin ik zijn brieven uit die tijd bewaar. Eens per jaar, zo bij de schoonmaak, lees ik er nog wel eens een. In een van die brieven staat dat ze door de Nederlandse regering slecht behandeld zijn. Een oorlogscorrespondent schreef: “Ik zag ze terugkomen de doden en de overgeblevenen. Grote gaten in de schoenen, slechte uitrusting. En nooit, nee nooit hebben we iets gehoord. Ja, jaren later hebben we één keer 1000,- gulden gekregen. Mijn zwager die ook gediend had weigerde dat. Die zei: “Dat heb ik niet meer nodig.” Ik zei: “Geef maar op, waarom niet.”Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Mijn man was toen al dood. Veel te vroeg gestorven. 66 Was hij.

“Op de HTS had hij chemie gestudeerd. Hij heeft eerst jaren bij Andrelon gewerkt. We waren gewend aan een weekend huwelijk. Toen mijn vijfde kindje geboren werd, zeiden mijn ouders: “Het wordt tijd dat hij eens naar huis komt.” Hij kreeg een baan bij DSM. Eerst inde nitraatfabriek als productiechef en later bij Stamicarbon. Daar verkocht hij kennis aan het buitenland.”

Hoe Mary in Israël in de Knesset ontvangen werd, de Yad Vashem bezocht en Golda Meir ontmoette valt buiten het bestek van dit verhaal. We menen dat het genoeg is zo.

Als we vertrekken bedankt zij ons voor de gezellige avond. Bij onze binnenkomst had ze gezegd: “Ik heb niet veel interessants te vertellen.” Wij zijn een andere mening toegedaan

Baer Smit Maart 2015.