Slagerij Thissen Voorstad Thissen-van der Leeuw

 

Op 20 augustus 2018 mocht ik haar interviewen. Het zou geen verloren middag worden. Ze woont nu aan de Ridgewaystraat 27. Zij is geboren op 20 februari 1927. En reken erop dat Sittards Verleden aan bod komt.

Haar ouders kwamen uit Herten. “In 1924 zijn ze getrouwd”, zegt ze. “Pap was toen al bij de politie in Sittard. Ze woonden op de Rijksweg Noord, tegenover waar vroeger Hartedief was. Toen ik vier jaar was heeft hij samen met collega Hodenius op Rijksweg Zuid gebouwd op de nummers 117 en 119 naast waar Knops nu de aanhangwagens verkoopt. Ik kom uit een gezin van zes kinderen eerlijk verdeeld drie meisjes en drie jongens. Ze leven allemaal nog.”

“Mijn vader was politie- en later brandweerman. In het begin bracht hij mij met de fiets naar school: voor op de stang. Als het regende sloeg hij zijn cape over het stuur, dan werd ik niet nat. Toen ik wat ouder was, moest ik te voet naar school en terug, iedere dag vier km. want de school lag in Ophoven. ’t Politiebureau was onder het stadhuis op de markt. Dat noemde men de Wacht. Er was een vroege, middag- en nachtdienst. Soms moest ik daar boterhammen brengen. Er waren destijds een of twee cellen waar men de deugnieten onderbracht.

Als er ruzie was in een café dan knuppelden ze de ruziemakers eruit. Hij vertelde ooit dat er in café Köhlen een steekpartij was geweest. De buik van een van de vechtersbazen lag open. Dokter Joosten kwam met de fiets. Hij liet een paar gewassen lakens halen en legde het slachtoffer erop. Daarna stopte hij de darmen weer terug op de plaats en liet de patiënt op een platte handkar naar ’t hospitaal brengen. De man heeft het overleefd.”

“Of hij ooit ergens bekneld gezeten heeft weet ik niet. Ik denk dat hij ons als kinderen daar te jong voor vond. Daar vertel je thuis niet over. In die tijd was de politie de baas, punt uit.”

“Omdat het koud werd in de Wacht gingen ze in de wintermaanden met de cape om naar het station om kolen te halen, zodat ze tijdens diensttijd niet zaten te bibberen.”

“Onder de oorlog is hij bij de politie vertrokken om brandweerman te worden en dienst te nemen bij de luchtbescherming. Ze zaten in de tekenschool. Als er luchtalarm was, gaf hij uitleg aan de mensen die dat nodig hadden. Als er telefonisch bericht kwam dat er alarm 1, 2 of 3 verwacht werd dan moest pap weg.  Mam was vaak bang.”

“Toen hij tachtig werd heeft Frenske van Zitterd een gedicht gemaakt over hem.”

 

Sjeng v.d. Leeuw 80 jaor   Donderdag 2 maart 1978

 Mit van Elschot, CoIIard, Giesberts,

Bours, Hodenius gewis.

Homberg, Leentjes, Wijnbelt, Beckers.

Waor Sjeng vruiger jaore plis.

Jong, dat waore nog èns tie-je,

Doe sjtong geine auto klaor,

Maakde me te vout de runj-de,

Van de Waterslei pès Laohr.

Zuinigheid bleek doe gebao-e,

Wo biej Gijzels euver-dreef,

’t Waor op kalenderblaedjes,

Dat me de processe sjreef.

Om de kachel aan te maken,

Oppe wach, waat neudig waor, ?

Leende me zig de brikette,

Sjtiekem ’s aoves op ’t sjpaor

Mit Lowie Boers en Baer Jetten,

In den oorlog, wiej gezag,

Holp hae keldersj mit laeg pompe,

Waat dèks naate vuit mit brach.

Sjeng mas knien mit brood en gruin-vour,

Waat hae in den haof haet sjtaon,

Wo biej hööm is opgevalle:

Bone-sjtèkke die vergaon.

 

Informatie foto

 

Als politieman maakte Van der Leeuw in 1924 een rapport over een brand in Leyenbroek. Het is de moeite waard dit proces te volgen in de stijl die toen gebruikelijk was.

 

Gemeente Politie te Sittard

Onderwerp: Brand te Leijenbroek.

RAPPORT

Ondergetekende Johannes van der Leeuw, agent van politie te Sittard, heeft de eer U Wel Edel Gestrenge beleefd het navolgende te rapporteeren:

Gisteren namiddag, 13 Januari 1924 omstreeks tien en drie vierde uur, zagen wij Jan Hodenius en ondergeteekende, op patrouille zijnde, in de richting Leijenbroek een rooden vuurgloed in de lucht. Wij vermoedden dat er te Leijenbroek brand was uitgebroken en begaven ons naar het bureau van politie, om onze rijwielen te nemen en ons dan van een en ander te gaan overtuigen. !

Op het oogenblik dat wij het bureau van politie verlieten, kwam de ons bekende M. Kleijnjans uit Leijenbroek, ons mededeelen, dat er te Leijenbroek, aan den Molenweg, brand was uitgebroken.  Hodenius begaf zich onmiddellijk naar Leijenbroek terwijl ik den opperbrandmeester Moons ging waarschuwen, waarna ik mij ook derwaarts begaf. Te Leijenbroek gekomen omstreeks elf uur, bleek dat de perceelen no 1 en 2 gelegen aan den Molenweg en ondoorscheidelijk bewoond door H.J. Geilen en de weduwe Ubachs, genaamd M.J. Hendriks, in brand stonden. Het vuur woede in hoofdzaak in de stallen en schuren van beide perceelen, die aan elkander gebouwd zijn en waar veel veldvruchten geborgen waren. Verschillende personen waren bezig uit de brandende perceelen voorwerpen te redden. Door den Zuid-Westen wind greep het vuur snel om zich heen, zoodat omstreeks elf en een half uur, toen de brandweer ter plaatse kwam, aan blusschen niet meer viel te denken.

Van blusschen had evenwel toch geen sprake kunnen zijn, daar te Leijenbroek geen waterleiding ligt en de aanwezige handspuit defect is. Beide percelen zijn grotendeels uitgebrand. Van de weduwe  Ubachs is het vee, een koe en twee varkens, benevens eenig huisraad en kleedingstukken, gered kunnen worden. De weduwe Ubachs was verzekerd voor 4820 gulden bij de Provinciale Brand en Inbraak verzekering te Amsterdam, agent W. Jansgen Misbroekstraat te Sittard.

Het perceel der weduwe Ubachs zou heden 14 Januari 1924, op rechtersbevel verkocht worden. Er stond een hijpoheek op van 2400 gulden. Brandpolis en het aanwezige geld zijn gered kunnen worden. Van Geilen is het vee, behalve een jong varken, gered kunnen worden. Meubelen, kleeding en huisraad konden eveneens in veiligheid gebracht worden.

Den inhoud der schuur veldvruchten en akkergereedschappen zijn een prooi der vlammen geworden. Geilen heeft alleen het huis met inboedel verzekerd bij de Brusselsche Brand verzekering maatschappij, agent Arnolds te Sittard. Veldvruchten en akkergereedschappen, waren niet verzekerd.

Persoonlijke ongelukken zijn niet voorgekomen. De oorzaak van den brand is onbekend, onderzoek zal worden ingesteld en een proces-verbaal zal volgen.

Waarvan door mij is opgemaakt dit rapport.

Sittard, 14 Januari 1924.

 

Johannes van der Leeuw.

 

Graag willen we ook wat weten over haar eigen leven. Welnu leest u maar.

“Na de lagere school heb ik de Mulo doorlopen. Als 16-jarige ben ik bij Wetzels op de markt gaan werken, een groentezaak en comestibles. De oude mevrouw en dochter Katrientje zwaaiden daar de scepter. Ik verdiende er 16 gulden per maand. ’t Was oorlog en alles was schaars. De mensen moesten het doen met knipkaartjes wegens de distributie. Ik herinner me dat we met een wasmand over de markt liepen op weg om bij de deken kleingeld te halen. De mand werd bedekt met een laken om het zinken geld te verbergen. Die zinken muntjes waren loodzwaar maar welkom als wisselgeld in de winkel.  Toen ik hoorde dat ze bij ’t spoor personeel zochten heb ik de overstap gemaakt en ben ik bij van Gent en Loos aan de slag gegaan. We zaten met 17 meisjes op kantoor om vrachtbrieven in te vullen voor de goederen die in en uit gingen. Je had een fijne baan en verdiende aanmerkelijk meer. Wij hadden ook vrij reizen en nu nog ik krijg pensioen van deze baan. Gewerkt heb ik daar tot in de oorlog.”

“In die tijd brandde de lamp tussen “Dómmenik en Schrage”.” Baenkes op en aaf”. De jongens aan de ene kant de meisjes aan de andere zijde. Jongens waren o.a. Zef v.d. Berg, Baer Nohlmans, Lei Claessens en Frans Thissen. Deze laatste werd mijn favoriet. Maar we mochten nog niet thuiskomen met een jongen. Je weet wel, we waren te jong etc. Toen moest Frans ook  twee jaar naar Indië maar de vlam bleef branden.”

“De familie Thissen had een slagerij op de hoek Voorstad naast Kleikamp. Heel vroeger moeten ze een slagerij op de Steenweg gehad hebben. De opa van Frans is jonggestorven. Zijn vader Sjeer heeft samen met oma de slagerij aan de praat gehouden. De andere broer en zus hadden allen gestudeerd. Futtelke (een typisch Sittardse bijnaam) werd horlogemaker. Mia werd onderwijzeres. Sjeer was de oudste en die moest natuurlijk het slagersvak in.”

“Als jongeman heeft Frans mee geholpen in de slagerij totdat hij als militair naar Indië moest. Toen hij terugkwam mocht hij van het rijk de slagersopleiding volgen hetgeen hij ook deed. Eenmaal geslaagd bleek dat vader Sjeer niet zou stoppen met werken en koos Frans voor een baan bij het SBB. Hij was 25 jaar en wilde trouwen. Na ons huwelijk zijn we gaan wonen op ’t Kerkplein naast het Sjterfhoes. Daar woonden mevr. Ekermans, en Tilly Meisen die getrouwd was met Sjaak Laumen. Wij kregen bij hen een kamertje boven met erachter een grote kamer. Daar hebben we een slaapkamer van gemaakt. We keken uit op de huizen van de Begijnenhofstraat. Aan de voorkant hadden we nog een klein keukentje. We hadden van daaruit mooi zicht over ’t Kerkplein. Toen we Tilly vroegen wat we aan huur moesten betalen was het antwoord: “Ik betaal 35 gulden, laten we dat delen.” We hebben daar vier jaar gewoond, de oudste is daar geboren. Later kwamen er nog twee kinderen; in totaal twee meisjes en een jongen.”

“Op het Kerkplein wonen heb ik altijd het fijnste gevonden. Je hoorde ’s morgens de klok luiden en je zag de mensen naar de kerk gaan. Er stond in die tijd maar één auto. Die was van de lange Lebens uit de Begijnenhofstraat, een journalist van het Limburgs Dagblad.”

“Als wij naar de W.C. moesten, gingen we de trap af en de gang door, dan bij Tilly door de keuken, een emmer water pakken aan de kraan en vervolgens naar buiten want op ‘t “Guitje”was de W.C.” Later kregen we een woning op de hoek van de Vrangendael bij Ben van Rooy maar ’t Kerkplein bleef favoriet.”

“Bij Thissen heeft niemand de slagerij overgenomen. Na Frans kwamen drie meisjes. De zaak is toen verhuurd aan van de Wetering. Ik was blij dat we de slagerij niet hadden, hard werken en altijd in een koude zaak staan is niet mijn favoriete bezigheid. Nu zijn er ook bijna geen slagers meer te bekennen in Sittard.”

Al pratend over de goeie oude tijd komt mevrouw Thissen nog eens terug op haar schooltijd. ( M.K. )

“Ik weet nog dat op weg naar school de jongens van Leyenbroek ons de bal afnamen en wegschopten. Dan zongen “in Leyenbroek heeft ’t gebrand”. Vroeger op de bewaarschool zaten we in de zomer onder de veranda op een houten bankje. Dan kwam de zuster met een emmer water en kregen we te drinken. Wat vooruitstrevend maar we moesten wel allemaal uit hetzelfde bekertje drinken. Achter de school was een wei met een poort. Die leidde naar de “Sjteine Sjloes”. ’s Avonds moesten de zusters Ursulinen langs de beek door het park naar huis naar het klooster op de Oude Markt.”

We eindigen met een voltreffer.”Mijn jongste kleindochter Steffie ( van de jongste dochter) is in Apeldoorn op de politie academie. Zij heeft nog een jaar voor de boeg. Dus na twee generaties komt er weer een politieagent in de familie.”

Mevrouw Thissen – Van der Leeuw mag ik u hartelijk danken voor dit interview en voor de fijne middag dat we mochten toehoren.

 

Mia Könings- Collombon

Slagerij Thissen Voorstad info