Herinneringen.

Bladerend in de jaargang 46/47 van “De Kraai”het clubblad van de toenmalige V.V.S. kwam ik onder de titel “’n Afscheid en een Welkom “, de naam van mijn vader tegen.Na een opsomming van zijn verdiensten voor de club trof mij de herinnering aan zijn gevangenschap. Ik dacht dat die film wel uit mijn gedachten zou zijn. Niets is echter minder waar.

Het was november 1942. Ik was toen elf jaar. ’s Avonds had pap als scheidsrechter, de wedstrijd gefloten tussen de gendarmes en de politieagenten van Sittard. Tegen half twaalf , bijna middernacht, werd er gebeld en stonden de heren gewapend en wel bij ons aan de winkeldeur.Met een somber gezicht vertelden ze dat men opdracht had mijn vader mee te moeten nemen.Mijn moeder huilde tranen met tuiten, zeer begrijpelijk uiteraard. Ik kon geen tranen vinden. Waarom, daar heb ik geen verklaring voor. Misschien wist ik onbewust dat ik nu de oudste man was in huis en dat ik de zaken recht moest houden. Dat is me duidelijk gebleken in de drie maanden die volgden.
Men bracht mijn vader naar de cel in Scheveningen in het z.g. Oranje Hotel. Daar leerde hij zijn latere vriend Karel Kempkens kennen. Een zeer sympathieke man uit Winschoten, die later heel wat keren in Sittard verbleef.Met zijn dochter hebben we nu nog contacten.
Later bereikten ons berichten dat mijn vader was overgeplaatst van Scheveningen naar het kamp Amersfoort. Daar heeft hij samen gezeten met o.a. de Deken van Venlo, die nooit meer teruggekeerd is. Een meneer die wij ome Wim uit Eerbeek mochten noemen kwam vertellen dat hij weer was overgeplaatst van Amersfoort naar Vught. Later is deze Wim via de onderduikers lijn kunnen vluchten naar Engeland. Hoe dat verder gegaan is weet ik niet. Destijds hadden we in Sittard een advocaat Vencken die de zaak van mijn vader behartigde. Hij vertelde in februari 1943 dat er een kans bestond, dat mijn vader vrij zou komen.Avond aan avond na school hield ik met mijn vriend Bèr Stessen de wacht op het station. Totdat de dag kwam dat hij inderdaad vrij kwam.Hij zou om zes uur arriveren op het tweede perron. Maar wat een teleurstelling. Hij verscheen niet. Later bleek dat hij in Vught de verkeerde trein genomen had, richting Den Bosch. Zelden, zo vertelde hij later, heb ik zo’n angst gehad toen ik weer langs het station Vught moest om richting Sittard te gaan. Hoe laat het was weet ik niet meer, ik denk tegen elven, kwam hij aan. Ik weet nog dat de stationschef meneer van Ratingen ons aan de hand naar het tweede perron bracht. Als ik nu kijk naar programma’s waar mensen elkaar na vele jaren terugzien, kan ik me voostellen wat er in hun omgaat. De stationshal stond vol met familie en bekenden en wat een tranen.
Thuis aangekomen verdronken we in een zee van oranje en rood wit blauw. Hoe dat allemaal zo snel geregeld was geworden weet ik niet. Pakjes Chesterfield en dozen met chocola, pakjes boter en nog veel meer dingen die we jaren niet gezien hadden.
Ik hoor mijn vader nog zeggen: “Weg met die vlaggen en al dat oranje. “Hij stierf van de angst dat de Duitsers hem nogmaals zouden arresteren. De Orts Commandant van de Duitsers zei echter tegen mijn moeder: Frau Smit, nicht wir Deutschen haben ihren Mann gehaftet aber ihre eigen Landsleute.
Toen kwam er een tijd van veel bezoek. Iedereen moest hem zien en horen hoe het was geweest. Maar er kwam geen woord over het kampleven over zijn lippen. Slechts tegen de bisschop van Roermond, die kwam informeren naar deken van Oppen uit Venlo, heeft hij voluit verteld En dat heb ik geweten want, weer net als de eerste nachten na zijn terugkeer, kreeg hij zijn nachtmerries.Dan schreeuwde hij om niet aan te horen. Als ik hem dan voorzichtig wakker maakte, dreef hij van de transperatie. Hij had dan zo bleek later ooit weer de afgerichte herdershond tegen zich aangevoeld.En de dreigende zweep gevoeld.
Later op een trektocht door Nederland met drie vrienden en mijn vader bezocht een van hen Lei Titselaer, zonder dat ik ervan wist, met mijn vader de plek van het kamp Vught. En

natuurlijk was het ’s nachts weer raak. Als Lei daar nu over verteld trekt hij nog een angstig gezicht.
Bij de bevrijding mochten mijn broer en ik niet lang buiten blijven. Bij ons ging ook nog geen vlag uit. De angst voor de Duitsers was te groot. En dat hij gelijk had bleek ’s anderendaags, toen we te horen kregen dat men een aantal Sittardenaren ’s nachts meegenomen had. Drie ervan zijn nooit teruggekomen.

Jaren later heeft mijn vader af en toe verteld over het leven in de gevangenis. Dat geschiedde naar aanleiding van de dood van zijn beste kampvriend Karel Kempkens.

Baer Smit

Later