Granaten hielden Graadje niet tegen

Het was bijzonder spannend die 18e september 1944. De Amerikaanse bevrijders ondervonden niet zo gek veel tegenstand in Geleen en zetten hun opmars richting Sittard volop door. Daar werd niet vele later het geluid van de granaten en ander oorlogstuig steeds harder. Rond zes uur in de avond was het dan eindelijk zover.

Lichte tanks vormden de voorhoede van de Amerikanen die toen aan de zuidkant zijde van de Ophovense wijk Sittard binnenreden. De daar wonende gebroeders Albaer, Sjeer en Jan Sluijs gingen daarom de geschiedenis in als de eerste bevrijde Sittardenaren. Die ‘eretitel’ kregen ze omdat hun woning op de meest zuidelijk bewoonde plek van Sittard lag. Later werd dat de Hoeve Victoria.

– Pantzerfaust –

Maar de situatie bleef gevaarlijk. Op het pleintje bij de Haagstraat in Ophoven werd een tank met een Duitse pantzerfaust in brand geschoten. Daarna vielen nog enkele doden en gewonden. Maar één Ophovenaar had daar kennelijk geen weet van. Hij trok er zich in ieder geval helemaal niets van aan. Temidden van al het tumult, terwijl het nog van alle kanten flink knalde, kwam uit een woninkje aan de Geleenderweg de bejaarde en hardhorende Graadje Janssen met een bezem naar buiten. Alsof er niets aan de hand was begon hij glasscherven van de straat te vegen. Vlak bij hem rukte een van de bewoners nijdig het raam open en met beide handen aan de mond riep Graadje hem luidkeels toe meteen naar binnen te gaan. Alsof er helemaal niets aan de hand was, ging Graadje echter aan de slag. Hij keek nog even op en reageerde: ‘Ich kan toch neit al dat glaas laote ligge, sjtrak veert zich nog eine de bandj van de fits kapot’.

Daarbij zal hij ongetwijfeld niet overwogen hebben dat het ook wel eens een op de vlucht geslagen Duitser zou kunnen zijn, die met een ‘geleende’ fiets een lekke band kreeg!

Intussen reed een colonne tanks, luid grommend, via de Dorpstraat richting Parklaan naar de Sittardse binnenstad. De bemanning werd de weg gewezen door leden van de ‘Witte Brigade’. Maar het gevaar was nog niet geweken. Zo sneuvelde een Amerikaanse officier die met zijn jeep een verkenningstochtje maakte.

– Brandbommen –

De terugtrekkende Duitsers gooiden, zeer waarschijnlijk als ‘afscheidcadeautje’, brandbommen in het postkantoor aan de Engelenkampstraat en in Garage Cartigny aan de Rijksweg-Noord naar binnen. De Sittardse brandweer volgde het vluchtende Herrenvolk echter op de voet en kon meteen aan de slag voor het betere bluswerk. Door dat krachtig optreden van de spuitgasten werd dan ook erger voorkomen.

page1image618602544

Op de Markt werden de Amerikanen uiteraard uitbundig toegejuicht. Maar het werd nog een zeer angstige avond. Slechts een deel van de stad leefde in een feestroes. Ten westen van de Rijksweg en in Overhoven waren nog geen tanks doorgedrongen. De meest noordelijke had bij de garage halt gehouden. Om ongeveer negen uur in de avond, toen het bevrijde deel van de stad al uitbundig vlagde en op allerlei manieren oranje de boventoon voerde, kwamen Duitse en Nederlandse SS-soldaten te voorschijn. Ze schoten op alles wat bewoog en wierpen handgranaten naar woningen waar Nederlandse vlaggen wapperden. Dat gebeurde vooral in de omgeving van de Steenweg.

Ofschoon ik toen pas amper vijf jaar was, meen ik me nog goed te herinneren dat een Nederlandse SS‘er zijn pistool trok en uit woede vanwege de verloren oorlog de vlag van slager Frits Eyckeler met kogels doorzeefde. We zaten op dat moment allemaal in de kelder en hadden, zoals gebruikelijk, de keldergaten beschermd met kistjes vol zand. Daar ging onze held met een voet op staan en schoot van daaruit de vlag vol met kogelgaten. We wisten niet precies wat er aan de hand was, maar niet veel later vernamen wij van onze overbuurman, die stiekem had gekeken, en de schutter herkende als een Nederlandse SS’er. We mochten Onze Lieve Heer dan op de blote knieën danken dat hij geen handgranaat de kelder had ingeworpen. Dan hadden we het ongetwijfeld niet kunnen navertellen!

Ik vraag mij wel eens af of ik mij het vlagincident echt zelf kan herinneren. Ik was toen immers pas vijf jaar. Mogelijk schiet het eigen geheugen toch te kort en heb ik het verhaal zó vaak gehoord dat ik ging geloven dat ik het toch helemaal beleefd heb.

– Kistjes –

De kistjes waren bedoeld om granaatscherven en kogels te smoren. Ze konden vrij makkelijk van hun plaats geschoven worden. Gelukkig kwam die hele foute vaderlander niet op het idee dat ook te doen. De familie Eyckeler heeft de met kogels doorzeefde vlag nog vele jaren bewaard. Het is niet bekend waar ze zich nu bevindt.

Die ‘kisjkes’ moesten bescherming bieden tegen kogels of granaten. Eigenlik is dat een apart verhaal. In het kort zat het zo. Mijn vader was timmerman en had, zoals overigens meer buurtgenoten, de kistjes getimmerd en met zand verzwaard. Ik wist waar ze voor dienden. Telkens als ik buiten lawaai hoorde van tanks en ander oorlogsmateriaal of van vliegtuigen. greep de angst mij bij de keel. ‘Mam, de kisjkes’ riep ik dan angstig. Ze stonden immers meestal – vanwege de frisse lucht en zo – niet altijd op hun plek. Waarom ik telkens bij naderend onheil een beroep deed op mijn moeder en niet op mijn vader, die toch geacht werd zwaarder te kunnen tillen, heb ik mij eigenlijk nooit afgevraagd. Wellicht omdat moederlief, zoals gebruikelijk, het grootste deel van mijn opvoeding voor haar rekening nam, en daarom door ondergetekende als de beste beschermster van de familie gezien werd.

Foto: Op de vlucht naar de Heimat lieten de ongenode gasten een en ander achter. Zoals deze Duitse 8.8 cm anti-tank- en luchtdoelgeschut bij de overweg in Ophoven

Foto: De Duitsers maken haast om Sittard halsoverkop te verlaten
Bron: Tam Jonkergouw en H.Rouvroye in het Historisch Jaarboek voor het land van

Zwentibold 1982.

Harie Bronneberg