Korte schets van de geschiedenis van Sittard

kapittelzegel_04

Ligging

Sittard is onderdeel van de fusiegemeente Sittard-Geleen en telt ruim 93.000 inwoners. De gemeente in het hartje van Limburg op de overgang naar het heuvelland. Vlakbij beginnen de heuvels van het Zuid-Limburgse landschap. Sittard ligt in het smalste gedeelte van de provincie, met de Duitse grens als gemeentegrens en de Belgische grens op een paar kilometer afstand. De buurgemeenten van Sittard zijn in het zuiden Geleen en Schinnen, in het oosten de gemeente Selfkant, in het noorden de gemeenten Susteren en Born en in het westen de gemeente Geleen. De huidige lands- en gemeentegrenzen zijn in de loop der tijd ontstaan. Er zijn nu snelle en goede verbinding naar alle windstreken.

Ontstaan van het huidige Sittard

De huidige plaats Sittard is ontstaan na samenvoeging van de voormalige gemeenten Sittard, Limbricht en Munstergeleen met de bijbehorende kernen Guttecoven, Einighausen en Windraak in 1982. Reeds eerder, in 1942, werd de zelfstandige gemeente Broeksittard opgeheven door de Duitse bezetter en bij Sittard gevoegd. In 2001 ontstond de huidige gemeente Sittard-Geleen door de bestuurlijke samenvoeging van de gemeenten Sittard, Geleen en Born.

 Al duizenden jaren bewoond

Op het grondgebied van de huidige gemeente zijn sporen aangetroffen van bewoning uit vele tijden en nog altijd is het mogelijk dat er ontdekkingen gedaan worden, die de historie weer iets meer verduidelijken.

De oudste bewoners van ons grondgebied, die zich hier 7300 jaar geleden vestigden, waren boeren, die hier hun dorpje hadden. Naar hun versierde aardewerk noemen we hen de Bandkeramiekers. Omstreeks 4900 voor Christus zijn zij spoorloos verdwenen. Onlangs kwamen in het Hoogveld sporen te voorschijn van een urnenveld dat in gebruik is geweest tussen 650 en 450 voor Christus. ( bronstijd / ijzertijd) Op dezelfde locatie konden uit de Romeinse tijd sporen aangetroffen worden, evenals resten van een boerderij uit de Middeleeuwen. Elders in de stad, in Lahrhof , werd een Merovingisch grafveld aangetroffen uit de 6e- eeuw na Christus en vlak bij de huidige hoeve Haagsittard kwamen sporen tevoorschijn van een Merovingische boerderij.

Iets meer duidelijkheid

Al voor het jaar 1000 komt er wat meer duidelijkheid en komen de eerste bewoningskernen Sittard , Broeksittard , Haagsittard , Limbricht , Guttecoven en Einighausen in beeld . In welk staatkundig verband men precies heeft geleefd is moeilijk te achterhalen. Voor onze streken springt er wel de naam van koning Zwentibold uit. Hij regeerde tussen 895 en 900 over ons gebied.

Sittard als nederzetting verschijnt echter tussen 700 en 1000, evenals Broeksittard en Haagsittard. In 1157 wordt Sittard de eerste keer genoemd. De naam is hoogstwaarschijnlijk afgeleid van de Siter , een stuk vruchtbare grond tussen Geleenbeek en de Rode Beek.

De eerste nederzettingen.

In de 7′ eeuw bestaan er ten noordwesten van de Kolleberg drie nederzettingen. In het noorden, aan de Rode beek en aan een Romeinse weg van Xanten naar Maastricht/Heerlen, ligt Broeksittard in het Broekland dat gunstig is voor vee. Hoewel klein, heeft het al gauw een kerkje, gewijd aan Maria, dat pas in 1934 is afgebroken en vervangen door het huidige. De parochie is evenwel tot in de 20ste eeuw een dépendance gebleven van die van Sittard. Iets zuidelijker tegen de helling van de Kolleberg lag Haagsittart. Daar is in 1982 een Merovingisch grafveld eeuw ontdekt dat tot eind 7de eeuw in gebruik is gebleven. Dat kan samenhangen met de kerstening: de christenen gaven – in tegenstelling tot de heidenen – meestal geen grafgeschenken aan hun doden mee, en de graven van na ± 675 bevatten dergelijke geschenken niet meer.

Haagsittard heeft ook nog enkele Karolingische graven gekend en moet zich nog hebben uitgebreid tot in de 13′ eeuw- daarna is het gekrompen tot één enkele boerderij in de 16′ eeuw. Broek- en Haagsittard worden het eerst schriftelijk vermeld, in 1144. De derde nederzetting, het huidige Sittard, wordt iets later vermeld, in 1157. Het lag op enige afstand van de Geleenbeek, niet vlakbij de beek, vanwege overstromingsgevaar. Later kon men daar de beek via de Boenenbrug oversteken.Waar de weg de plaats binnenkwam lag een parochiekerk, gewijd aan Petrus. De oudste versie van de kerk was in maaskeien gebouwd, hetgeen op hoge ouderdom wijst, net als de kerkpatroon Petrus: die was ten tijde van Karel de Grote, zo rond 800, heel populair. Dicht bij de kerk lag een verdedigbaar huis met een gracht, precies in de knik van de huidige Oude Markt is een brug over die gracht aangetroffen. Alles wijst er op dat hier de woning van de stadsheer lag. De verkeersweg liep door de nederzetting naar het oosten, richting Aken en Keulen. Het oudste Sittard bestond dus uit een kleine kern: een kerkje, een versterkt huis en enkele woningen, aan een verkeersweg west-oost. De naam van die weg (“Oude Markt”) moet betekenen dat daar ook markt werd gehouden. Omdat vrijwel alle nederzettingen over een molen moesten beschikken voor het broodgraan, zal ook Sittard een korenmolen hebben gehad, die werd aangedreven door de Geleenbeek. De molentak die door de stad liep, zal meteen het water hebben geleverd voor de gracht die de stadskern omgaf.

De periode van de Limburgse dynastie

in 1215 blijkt hertog Hendrik III van Limburg in het bezit te zijn van de heerlijkheid Sittard: hij is in staat het bezit van de kerk van Sittard te beloven aan de Hospitaalridders van Jerusalem, een belofte die evenwel niet wordt ingelost. Zijn zoon Walram spreekt in 1230 van Villa mea de Sitterd… in allodio meo: mijn nederzetting Sittard, in mijn eigengeërfde bezit, hetgeen betekent dat hij in het volle bezit van Sittard is. Walram was getrouwd met Elisabeth van Bar en had twee kinderen, Bertha en Walram. Als hij in 1242 sneuvelt in een gevecht tegen troepen van de bisschop van Keulen, is zijn zoon nog maar een jaar of tien. Met zijn moeder, en waarschijnlijk op raad van zijn oom, hertog Hendrik IV van Limburg, besluit bij de inwoners van Sittard stadsrecht te geven. Dit om de zich de welwillendheid van de bij hen wonende de bevolking te verzekeren, dus hun steun te verwerven, die toen kennelijk al van waarde was, zowel militair als economisch. De burgers krijgen vrijstelling van allerlei verplichtingen die kenmerkend waren voor de situatie van horigheid – en verwerven daarmee dus de persoonlijke vrijheid – tegen betaling van een bescheiden jaarlijks bedrag. Ze moesten zo nodig hun heer gewapenderhand helpen en zorgen voor onderhoud van wallen en grachten en van het stedelijk wegennet. Een comité van burgers, een raad, moest daarop toezien. Ook is er sprake van dat de heer een markthal zou bouwen. We zien dus dat de nieuwe stad een zekere militaire betekenis en autonomie heeft, reeds versterkt is en economische bedrijvigheid kent. De twee oude kernen, de versterkte woning van de Heer en de kerk, moeten toen al door één ovale wal zijn omgeven. Als Walram in 1266 overlijdt, neemt zijn vrouw, Jutta van Ravensberg, het bestuur van de stad over: de eerste vrouwelijke stadsbestuurder van Sittard. Dat blijkt duidelijk in 1276, als zij, met instemming van de pastoor en de gemeente, een Begijnhuis sticht. Zes jaar daarvoor schonk zij al de hoeve van Haagsittard aan het kapittel van Aken. Dan verschijnt ook het eerste ons bekende stadsbestuur, met schout Otto Gerards en zes schepenen. Kort daarna blijkt echter haar zwager Walram de Rode van Valkenburg het bestuur over Sittard te hebben overgenomen. Jutta had zich teruggetrokken in een klooster. Walram de Rode probeerde in 1294 zich meester te maken van Born, waarin hij, dankzij de steun van de Sittardenaren, voor een belangrijk deel slaagde. Zij werden door hem rijk beloond met de schenking van de Overhovener Heide, het Broekland bij Broeksittard en Leyenbroek, en het bos de Tomele op de Kolleberg. Dit waren vooral gebieden waar het vee voedsel kon vinden. Rondom de stadskern begonnen in deze periode boerendorpjes te ontstaan, in de buurt van de Rode Beek en de Geleenbeek. De stad had zich inmiddels uitgebreid en was naar het oosten toe vergroot. De markt lag niet meer aan de Oude Markt, maar ongeveer midden in de stad en de nieuwe straten in het oostelijk stadsdeel hadden een meer regelmatig patroon dan in het westelijke en oudste. In 1299 stelde Walram nog een belangrijke daad: hij stichtte te Sittard een kapittelkerk: een kerk met een college van kanunniken, die zich naast aan zielzorg ook aan gebedsdiensten wijdden. Mogelijk had hij deze bedoeld als grafkerk voor zijn dynastie, maar dat is er niet van gekomen. Deze stichting betekende meteen dat de stad een ” middelbare school” kreeg, een zg. Latijnse school, die meteen het zangkoor leverde.

Pandheren en Gulik

De Valkenburger heren stonden bekend als krijgslustige lieden, die zich herhaaldelijk zelfs als echte roofridders gedroegen. Dit bracht ze geregeld in conflict, vooral met Brabant en de stad Aken. In 1318 werden Heerlen en Sittard zelfs door de hertog van Brabant aangevallen en ingenomen, zij het dat de verovering van Sittard wel de nodige moeite kostte. Een beschrijving van dit beleg is bewaard gebleven. Daaruit blijkt dat de stad nu aanzienlijk vergroot was en een dubbele verdediging bezat: twee grachten, goed van water voorzien en twee wallen met daarop een stevige houten palissade. De Sittardse burgerij vocht enthousiast mee om de stad te verdedigen. Toen de hulptroepen, gestuurd door de bisschop van Keulen, zich wilden overgeven, dreigden ze zelfs gelyncht te worden door de woedende burgers en moest de hertog hen beschermen. Na lang onderhandelen kregen de Valkenburgers Sittard terug, maar het oorlogvoeren, waarbij ze verschillende nederlagen hadden geleden, had ze verarmd en tot 1396 was de stad in handen van een zijtak van de familie. Die verkocht het in 1400 aan de hertog van Gulik, voor 70.000 Rijnse guldens. De Gulikers hadden hun middelen echter overschat en moesten de stad in pand geven: ze ontvingen een grote som geld van een rijk heer die dan de stad mocht besturen en de belasting- en andere inkomsten er uit heffen. In de 15 e eeuw waren dat voornamelijk de graven van Meurs, die evenwel meer aan hun eigen belangen dachten dan aan die van de stad. Pas in 1494 konden de Gulikers de pandsom aflossen: Vanaf die tijd was Sittard een Gulikse stad.

Tegen het einde van die eeuw was de stadsverdediging aanzienlijk gemoderniseerd: de muren, die inmiddels de houten palissaden hadden vervangen, waren aangeaard en van geschutskelders voorzien; een aantal muurtorens waren verlaagd en verstevigd en zo tot “bolwerken” gemaakt. In de toegangswegen naar de stadspoorten waren ” halve manen” geplaatst.

Ook economisch had de stad zich ontwikkeld, waarvan de nieuwe markthal het bewijs was. De bebouwing was dichter geworden. We kennen 68 vermeldingen van straatnamen uit de 14′ eeuw en 85 uit de 15′. Voorts kende Sittard een behoorlijke variatie in beroepen: we vinden 186 vermeldingen van een beroep, die 131 personen betreffen. Het meest talrijk zijn de voedselverwerkende beroepen (41 voor 31 personen) gevolgd door de metaalbewerkende (36 voor 21). Daar vinden we ook de grootste specialisatie (naast het algemene “smid”, ploegmakers, zwaardvegers, een pluymper (loodgieter) en een slotenmaker). Ook van de in de Middeleeuwen zeer belangrijke industrie van textielbewerking vinden we alle stadia terug: wevers, volders, ververs en kleermakers.

Frappant is ook dat als we Sittard vergelijken met de stadjes van de nabijgelegen Kreis Heinsberg dat de wevers en de leerbewerkers, de voornaamste”stuwende” beroepen in die tijd, te Sittard duidelijk talrijker zijn dan te Heinsberg, Gangelt, Waldfeucht en Erkelenz. Sittard kende zelfs een tweetal “Lombarden, oftewel “Bankiers” met een groot woord. Hoewel het middeleeuwse Sittard in belang niet te vergelijken was met plaatsen als Maastricht of Roermond, was het dus kennelijk belangrijker dan men wel gedacht heeft. Het was dus terecht dat de stad rond 1440 met succes tegen de Brabantse tolgaarders haar privilege van tolvrijheid verdedigde, dat ze in 1318 van de hertog van Brabant had gekregen.

De stad Sittard

In 1243 krijgt Sittard stadsrechten en wordt Sittard stad. In haar stadsplattegrond en de nog aanwezige wallengordel kan men haar ontstaansverhaal aflezen. In de loop van haar geschiedenis is de versterkte stad een aantal malen verwoest met alle nare gevolgen van dien. Ook de buitendorpen ontkwamen niet aan de verwoestingen die de talloze oorlogen aanrichtten, om nog maar te zwijgen van het menselijk leed dat gepaard ging met elke oorlog. Sittard bleef vestingstad tot het jaar 1677. Toen was de verwoesting zo grondig dat men spreekt over “het Sittardse rampjaar”.

Sittard staatkundig

Sittard heeft in de loop der eeuwen behoord onder vele gezagsdragers. De bewoners van de stad en de omliggende dorpen hebben zelf daarin geen enkele zeggingsmacht gehad. Omstreeks 1200 maakt Sittard deel uit van het hertogdom Limburg. Onder deze heren wordt Sittard stad.Later kwam de heerlijkheid Sittard onder de Valkenburgers. In 1400 werd Sittard, samen met Born en Susteren voor 70.000 goudgulden verkocht aan de hertog van Gulik. Bij dit hertogdom behoorde Sittard tot 1794. Toen namen Franse revolutionaire troepen de macht over en de stad en omgeving maakten deel uit van de nieuwe Franse republiek. Dat duurde tot 1814, waarna Sittard bij het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kwam. Deze constructie had geen lang leven, want tussen 1830 en 1839 hoorde Sittard bij de nieuwe staat België. Evenwel, de hogere politiek besliste anders en in laatstgenoemd jaar kwam Sittard definitief bij Nederland.

De Sittardse stadsplattegrond

In de plattegrond is goed te zien hoe vroeger de oost-westroute veel belangrijker was dan de noord-zuidroute. Vlaanderen en het Rijnland waren de twee polen waartussen het verkeer zich bewoog.Pas na de komst van de grenzen met België en het latere Duitsland, krijgt het noord-zuidverkeer meer aandacht. Dat resulteert in de aanleg van de Rijksweg Maastricht-Nijmegen in 1840 en de spoorlijn Maastricht-Roermond in 1865.

Grote pachthoeven en monumentale molens

Opvallend zijn verder de grote boerderijcomplexen die vanaf de middeleeuwen een grote rol hebben gespeeld in de Sittardse geschiedenis. We denken dan aan de Watersleyerhof, de Lahrhof, de Bergerhof, de Ophovenerhof en de Haagsittarderhof. Ook op molengebied bezit Sittard een tweetal intacte watermolens, namelijk de Stadbroekermolen (1582) en de Ophovenermolen (1348). Een schilderachtig gelegen voormalige oliemolen te Munstergeleen completeert het geheel. Interessante bouwkundige gehelen zijn de pater Karelhoeve te Munstergeleen en Leyenbroek met zijn vele inrijpoorten langs een steile weg zijn ook de moeite waard.

De Sittardse kerken

In de binnenstad treft men op een relatief korte afstand van elkaar vijf verschillende kerken aan, ieder uit een eigen tijd en ontstaan vanuit een andere godsdienstige behoefte.De torens van deze kerken domineren het stadsbeeld. De hoogste toren van Zuid-Limburg, de 80 meter hoge toren van de St.-Petruskerk is het symbool van de oudste, middeleeuwse, kerk van Sittard, de voormalige kapittelkerk. De huidige kerk is onderdeel van een ensemble, waarin de tiendschuur, enkele voorname kanunnikenhuizen, de voormalige Latijnse school en het voormalige kerkhof deel van uitmaken.

De geschiedenis van het protestantisme in onze streken concentreert zich in de Gruizenstraat rondom het kerkje uit 1637. Aanvankelijk gebouwd als schuilkerk, kwam later de erkenning van het geloof en daarmee de bouw van een typische toren.

De protestanten hadden een eigen kerkhof aan de Steenweg

De St.-Michielskerk met het bijbehorende dominicanenklooster staat symbool voor de contra-reformatie. De kerk kwam in 1668 gereed, gebouwd in de toen gangbare Zuid-Nederlandse barokstijl. Vanuit deze kerk trekt al vanaf 1668 de jaarlijkse processie naar de St.-Rosakapel in de Kollenberg. In de zuidoosthoek van de binnenstad treffen we de kapel van Agnetenberg aan, een kopie in het klein van de St.-Michielskerk.

Tenslotte, de Basiliek van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart, de eerste Basiliek in Nederland, met het ertenoverliggende Mariapark completeren het geheel met neogotische kenmerken.

Tradities

Sittard kent jonge en oude tradities. Er is vaak geen ontstaansjaar aan te plakken, maar sommige van de Sittardse traditie is hebben al een ouderdom van vele eeuwen. De donderdagse markt is zo’n traditie, die hoogstwaarschijnlijk al teruggaat naar de 13e-eeuw. De grote St.Joseph jaarmarkt op 19 maart, -Sint Joep voor de Sittardenaren- vond voor de eerste keer plaats op 19 maart 1803.

Het Sittardse carnavalsgebeuren heeft weliswaar een ouderdom die teruggaat tot de middeleeuwen, maar de organisatie is sinds 1882 in handen van de stadscarnavalsvereniging ‘de Marotte’. De grote optocht met zijn prachtige praalwagens, het Troottekonkoer op carnavalsmaandag, het Appelsienesjmiete op dinsdag, het scholierencarnaval op vrijdag voor carnaval hangen even onlosmakelijk aan elkaar als het Maske begrave, het ‘heringbiete’, de nonnevot en de Prins die drie dagen lang heerst over de Marottestad. En dan hebben we het nog niet gehad over de zittingen, de kinderoptocht, de Pappegey, de Optochthal en de talloze kleinere carnavalsverenigingen. Kortom een bruisend en flexibel feest.

Het Krombroodrapen te Sittard heeft ook een hoge ouderdom. Elk jaar, halverwege de vasten worden vanaf een helling in de Kollenberg duizenden halvemaanvormige broodjes te grabbel gegooid voor een duizendkoppig publiek.

Kermissen zijn ook al een oud gegeven. Oorspronkelijk een feest dat herinnert aan de kerkwijding is het in later tijd een feest geworden dat zijn religieuze betekenis grotendeels verloren heeft. Alleen de naamgeving herinnert ons er nog aan zoals de St.-Rosakermis op de laatste zondag van augustus en de Doodsstrijdkermis te Limbricht. De Kennedymars,  het alternatief ‘Vogelsjeite’ en het Oktoberfeest zijn de tradities van recentere tijden.

Van herindeling naar herindeling, 1980-2000

Om de lokale bestuurskracht te vergroten vond in 1982 een gemeentelijke herindeling plaats. Born, Grevenbicht en Obbicht-Papenhoven gingen samen de nieuwe gemeente Born vormen met ca. 13.000 inwoners. Limbricht en Munstergeleen gingen onderdeel uitmaken van de nieuwe gemeente Sittard met ca. 43.500 inwoners. Geleen kreeg het hele DSM-terrein, maar geen vergroting van het aantal inwoners, dat ca. 34.000 bleef. Aan de vooravond van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001, waarbij Sittard, Geleen en Born de nieuwe gemeente Sittard-Geleen gingen vormen, telde Born ca. 14.500, Sittard ca. 50.000 en Geleen nog steeds ca. 34.000 inwoners.

Toch breidde Geleen in deze periode zijn woongebied verder uit in noordelijke richting en maakte verdere plannen in deze richting (De Haese). Munstergeleen oriënteerde zich op Sittard. De bevolkingsaanwas in Sittard werd grotendeels opgevangen in nieuwbouwwijken aan de Duitse grens. Mede door de aanleg van de randweg Hasseltsebaan/Middenweg verdween grotendeels het landelijk karakter tussen Sittard en de dorpskern Limbricht. De dorpskernen Einighausen en Guttecoven wisten hun landelijk karakter te behouden. Born kende met de realisatie van de wijk Hondsbroek een uitbreiding in oostelijk richting. ( Bron: geeente Sitard-Geleen)

Het Sittardse gemeentewapen

Ontworpen in 1982 bij de toenmalige herindeling. In goud een krulkruis van sabel; in een schildvoet van keel drie kepers van goud. Het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren.Het krulkruis is een oud heraldisch teken, de schildvoet herinnert aan de voormalige gemeente Limbricht. De gemeente Sittard bezit het exclusieve recht om het wapen te voeren. Na de herindeling van 2001 werd er een nieuw emeenteapen ontworpen maar hierover is tot heden geen overeenstemming gvonden.

De vlag van de gemeente Sittard

Een geel doek met rode broekingkeper, waarvan de top op 1/3 van de lengte van de vlag en aan de vluchtzijde een zwart krulkruis, waarvan de hoogte gelijk is aan 4/5 van de hoogte van de vlag.