Een grande dame: Vera Rutten

We hadden de boeken gelezen: “Zou ik het willen overdoen?”, het levensverhaal van een Joodse overlevende geschreven door Nathan Wijnperle; en “Lest we Forget” van Mandy R. Evans. Beiden zijn kinderen van Manus Wijnperle, die een zaak had op de Steenweg. En ook “Jochie…je moet er trots op zijn : spelend de oorlog door” met schitterende tekeningen en verhalen over een zware tijd, opgetekend door Herman Silbernberg. Toen werden we op het spoor gezet van Vera Rutten. Na wat aandringen mogen we op bezoek komen. Daar staat ze bovenaan de trap van haar statig huis: een grande dame met een welwillende glimlach. Het beklimmen van die trap wordt er niet lichter op, als ze in onvervalst Sittards van boven roept: “Waat kómp geer hie doon? Ich weit niks euver Zitterd en zien volk. Gaot nao angere die mee kènne vertèlle!”

Als we twee en een half uur later vertrekken, zitten we tot over onze oren vol met indrukken, vol met verhalen en wetenswaardigheden die wij aan iedereen die het horen en/of lezen wil, moeten doorgeven.

Iedereen kent haar als Vera Rutten, geboren 27 september 1920 op de Wilhelminastraat in het huis waar nu de firma Nieuwenhuis gevestigd is. Officieel is ze mevrouw Linssen-Rutten. Stationsdwarsstraat 14 Sittard. Haar vader is Henri Rutten, geboren op de Steenweg 29 maart 1877, overleden 22 november 1945, raadslid en later wethouder van openbare werken.

“Wit geer nog? D’n druim van Jozef Puime wie in de Sinterklaosnach
geheim vergadering waas, d’n hèl’ge man koum bènne en sjprouk mit gouwe zin: geer zult mich nog waal kènne, geer mót de zak mer in. En Pitter sjnapde Naard, Gulickers, Harie Rutte en de Waever mit ziene klaever.”

Dik dertig jaar was vader Rutten raadslid. Hij was katholiek, zijn vrouw Joods. Vera zegt dat de kerk vader daarom in de ban had gedaan. Desondanks kwam hij steeds in de raad met de stemmen van protestanten. Haar moeder was Selma Hertz; zij leed aan nierbekkenvergiftiging. Vera heeft haar niet anders gekend dan ziek. In Sittard werd al gauw gezegd: “Dat is de straf.”

Het grote huis aan de Stationsdwarsstraat is het ouderlijk huis van haar moeder. Het is gebouwd door de broer van opa Hertz. Hij heeft er maar één jaar gewoond, toen stierf hij. Daarna is Vera’s opa er gaan wonen. Zij hadden vijf kinderen. Opa heeft daarvoor gewoond in het oude huis van dominee Hoefer aan de Rijksweg Zuid. Ook woonde hij een tijd aan de Gruizenstraat. Hij vertelde daar altijd mooie verhalen over. Over een man die altijd dronken thuiskwam. Als zijn vrouw dan op hem schold, gooide hij zijn hele huisraad in de beek en snelden de buren te hulp door schotten in de beek te plaatsen om alles tegen te houden.

De familie Hertz had aan de overkant, waar nu de flats staan en waar eerder Marcel Muyres zijn domicilie had, een graanhandel.

Vera bezocht in haar jeugd de Gustav Hoefer school. De zusters ursulinen en die van het Kostbaar Bloed namen haar niet aan, omdat ze niet gedoopt was.
Op de protestantse school had men op Hemelvaartsdag gewoon les. De katholieke kinderen waren vrij. Ze kwamen in groepen naar de school en riepen: “Protestantse apen liggen in bed te gapen; ze denken niet aan God, maar aan de rand van de pispot.” Ook wierpen ze paardenvijgen tegen de ramen. Geen politie of wie dan ook, die er iets van zei. “Ik vergeet dat mijn hele leven niet meer,” zegt Vera.

Haar ouders hebben haar altijd vrij gelaten wat betreft de godsdienst. Op zaterdag had ze vrij van school. Dan ging ze met haar grootmoeder naar de synagoge. De synagoge lag in de Plakstraat vlakbij het huis van Rabbi Blijdenstein. Mannen zaten beneden, vrouwen boven. ’s Zondags ging ze met haar vader naar de katholieke kerk. Later, vlak voor de oorlog, is Vera katholiek geworden. Iedereen vond dat beter, met die griezelige toestanden in Duitsland.

Vader Rutten had geen vast werk. Van tijd tot tijd werkte Henri in de graanzaak van Sallie en Jozef Hertz en daarnaast ook bij zijn oom P.N. Rutten in de kolenhandel. De familie Rutten had ook een boerenbedrijf op de plaats waar Dols-Storms later de zaak had. Erachter lagen weiden voor de paarden die voor het vrachtrijden gebruikt werden.

Als de voerlui van Rutten binnen waren met de laatste vracht, hingen ze de stallampen van de wagens aan weerszijden van ’t kruis aan de Heinseweg. Dat deden ze om de lampen te laten uitbranden. Zodoende hadden de mensen in de omgeving nog een beetje licht, want straatlampen stonden daar nog niet.

Ze toont een oude foto van Joodse mensen, een toneelgroep. Er waren ook katholieken lid van de toneelvereniging. De verstandhouding in die tijd tussen katholieken en Joden was uitstekend. Hoeveel carnavalsliedjes waren er niet van Ossendrijver? De foto is genomen op de binnenplaats van de synagoge. De man met die hoge rug werd verondersteld te kunnen voorspellen. Alfred Horn werd de lemkessjlechter genoemd. Hij woonde in de Molenbeekstraat.

De Wolfs en de Hertzdahls waren familie. Kledingzaak Bernard was een zaak van Hertzdahl. Daar heeft Toon Hermans gewerkt als etaleur. Hij moest vaak boodschappen doen. Bij Rutten kwam hij wel eens eieren halen. Steeds vroeg hij of ze ook vers waren en dan antwoordde Vera: “Nei ich höbs ze veur dich bewaard en wermgehawte. Es te toes bes, kump dao ein kuke oet.”

Zoals gezegd was Vera’s moeder ziekelijk. Mevrouw Blijdenstein kwam haar vaak opzoeken. Voor haar nierziekte moest moeder geopereerd worden in Bonn. De familie is daardoor bijna failliet gegaan. Ze was al eens behandeld in de Boerhaave kliniek in Amsterdam. Dat was enorm duur en men was in die tijd helemaal niet verzekerd. Vera’s ouders hadden wel wat geld op de bank van vader Hermans, maar die ging failliet. Moeder moest toch behandeld worden. Haar vader heeft toen van alles gedaan om wat geld te verdienen en de doktoren te kunnen betalen. De familie Hertz had haar geld op de Hansenbank staan, en ook die ging failliet.

Als vroeger in Sittard geld ingezameld werd voor een goed doel, dak van een kerk of zo, ging men met lijsten rond. Eerst bij de burgemeester langs; dat bedrag kwam bovenaan te staan. Dan volgde de wethouder. En vader was wethouder. “Ik zie het nog zo voor me, ik zal een jaar of zeven geweest zijn. Mama begon te huilen. ”Harie,” zei ze, “daar komen ze weer met de lijst. Waat mót ich noe?” “Zet maar 25 gulden erop,” antwoordde haar vader dan. “Ik geloof dat je gek bent,” huilde moeder, “Ik heb ’t niet.” “Ja, maar als ik minder geef, dan geven de anderen nog minder,” luidde het dan, “want er wordt gekeken naar wat bovenaan staat.” Zo ging dat vroeger, echt waar. De mensen wisten wel dat we het moeilijk hadden. Op een gegeven moment mocht ik de post niet meer openmaken, want er kon wel eens geld bij zitten. Mensen die medelijden hadden, stopten af en toe een envelop met geld in de bus.

Vera heeft een kantooropleiding gevolgd; ze leerde er Duits, Frans, Engels, steno en typen. Ze behaalde zelfs het diploma Frans L.O. Henk Stessen heeft nog een krantenbericht dat vermeldt dat Vera op achttienjarige leeftijd cum laude is geslaagd voor haar akte.
Ze solliciteerde bij een krant, maar werd niet aangenomen want het was een katholieke krant. Ze solliciteerde ook bij een kruidenierszaak. Die mensen wilde haar wel aannemen, maar dan mocht ze zich nooit in de winkel vertonen. Bang dat de klanten zouden zien dat men een niet katholieke werkneemster in dienst hadden. Dat was in 1937.

Vera heeft wel voor Nol Dieteren gewerkt, weet u wel van Van Neer- Eyckeler. Zij had daar geen arbeidscontract. Als Nol belde, ging ze uithelpen. Vera: “De mensen belden me op om te vragen wanneer ik er was. Ik deed de corsetterie. Het liefst de wat lastiger en iets zwaardere figuren.” Een vaste betrekking kreeg ze uiteindelijk bij Jansen-Baggen in Geleen. Na haar trouwen was dat einde oefening. Een getrouwde vrouw werkte niet.

In 1942 heeft aalmoezenier Feiter, de latere deken, haar getrouwd in de sacristie van de Grote Kerk. Zij houdt altijd de datum aan van haar burgerlijk huwelijk. “De geestelijken hebben zich nooit wat van ons aangetrokken, niet in oorlogstijd en ook niet daarna.”
Er waren vele mensen op haar huwelijksfeest. Die zijn allemaal opgepakt en nooit meer teruggekomen, allen vermoord.

“Ik heb mijn grootmoeder destijds weggebracht naar de synagoge in de Plakstraat. Te voet. Er durfde niemand met mij mee te gaan. Toen ben ik bij Sjang Leinders flauwgevallen en naar binnen gebracht… Mijn grootvaders waren al overleden voor de oorlog.”
De familie Hertz had vijf kinderen. Een tante was getrouwd met Ben Zondervan. Niemand kwam terug.
Toen de Joden vertrokken, had niemand enig idee van wat hun te wachten stond. Albert Sassen was nog speciaal een dag eerder gegaan om alvast de barakken in te richten, voor dekbedden te zorgen, dekens en wollen ondergoed. Van iedereen kreeg hij koffers mee. Ze zijn er maar één dag geweest, toen werden ze al vergast. De meeste mensen dachten niet aan onderduiken. Ook Rabbi Blijdenstein niet. Hij zei: “Waar mijn schapen gaan, ga ik mee.”
Blijdenstein heeft Vera nog geholpen door haar naam uit het Joodse register te schrappen. Daartoe moest hij het hele register overschrijven, zodat het niet zou opvallen dat er een naam weggeveegd was. Het oude register heeft hij laten verdwijnen.

Vera’s man is niet van Sittard. Hij was afkomstig uit Holthuis in de buurt van Smakt. Hij was werkzaam in een garage. Door dokter Jansen is hij in Sittard terechtgekomen op de ambulance. “Zo heb ik hem leren kennen.” Toen Vera trouwde, hadden ze 18 gulden in de week en dan was ze blij als ze op het einde van de week de bakker nog kon betalen.
Vera heeft vier zonen, geboren in 1943, 1945, 1949 en 1953. Van Harrie is ze in 1943 bevallen tijdens de beschietingen van het station door de Engelsen.
“Harrie had het syndroom van Down. Ik durfde niet met hem naar het consultatiebureau, bang dat ze ons aan zouden geven. Kinderen zoals hij werden opgepakt en naar een opvoedingsgesticht gebracht. Alleen in de schemering ging ik met hem naar buiten. Piet, mijn man, hielp me goed. Ik kreeg ook geen bonnen in de oorlog. Ik kon nooit in de rij gaan staan als er iets te krijgen was, zoals bijvoorbeeld bloemkool. Ik kon Harrie nooit alleen laten, maar ik kon hem ook niet meenemen.
Op een gegeven ogenblik werd mijn man opgeroepen om in Duitsland machines te gaan monteren. Hij is niet gegaan, maar ondergedoken op de Annahoeve aan de Bergerweg bij familie. Toen kwam er een man van het spoor met een oude spoorpet voor Harrie en een voor Piet. Zo konden ze ’s avonds over het spoor even naar huis toe met hun pet op als camouflage.”

Kinderen van een Joodse moeder werden ook als Joods beschouwd. Dus moest Vera in de oorlog een ster dragen. Zij heeft dat steeds vertikt.
Op een dag kwam iemand van het verzet aan haar deur en vroeg of ze even een familie kon opvangen, die ’s avonds met de trein zou aankomen en later weer opgehaald zou worden. Ondanks het gevaar voor haarzelf stak ze de weg over en nam ze de familie met twee kinderen mee naar haar huis. De kinderen werden voorzien van rode pukkeltjes, zo konden ze zeggen dat er roodvonk heerste, hetgeen met een bordje aan de deur werd meegedeeld. Ze kende geen namen. Dat was veiliger, zo kon je niemand verraden.

Na de oorlog kreeg Vera telefoon. Met mevrouw Linssen, zei ze. “Mooi dat ik u aan de telefoon heb. Mogen we een keer komen. Ik ben Wiever uit Maastricht. U heeft ons onderdak gegeven, toen wij als Joodse familie moesten verdwijnen.”

Na de oorlog was er geen Joodse gemeenschap meer. Na de bevrijding was het geen prettige tijd voor Vera. Ze heeft altijd gemeend dat haar familie naar werkkampen was gestuurd. Oma zou misschien niet terugkomen; ze was al tachtig toen ze wegging. Maar die anderen zouden toch wel terugkeren. Daarom bleef ze wonen in het grote huis. Er kwam niemand terug. Uiteindelijk kreeg ze via het Rode Kruis de trieste berichten. “Toen die brieven kwamen uit Auswitsch en Sobibor, van mijn grootmoeder en alle anderen, was ik de kluts kwijt. En bij niemand kon ik mijn verhaal over de oorlog kwijt. Ik ben enigst kind en opeens was er totaal geen familie meer. Allemaal gebleven in de kampen. ”

Vera’s kinderen willen het verhaal over de oorlog niet horen. Zij vinden het verschrikkelijk. De kinderen eten wel nog matzes en vinden het geloof wel interessant. Haar spullen zoals het

doopmutsje en de Jat ( aanwijsstokje om de Thora te lezen ) heeft Vera aan Het Domein gegeven. Het museum heeft haar vrije toegang beloofd, maar dat bleek ineens helaas niet te kunnen.
Na de oorlog werd ze gebeld door de gemeente met de mededeling dat men haar brandkast in bezit had en graag van haar de combinatie van het slot wilde weten. De gemeente had de brandkast in beslag genomen bij de dikke Ab. Een Duitser, een kleine dikke man, die in Sittard woonde en die bij het naderen van de Amerikanen gevlucht was.

Toen Vera de brandkast als haar eigendom opeiste, kreeg ze ten antwoord dat ze er geen recht op had, omdat die kast in beslag genomen was bij vijandelijke personen. Ze dreigde daarop de code aan iedereen bekend te maken. Dat bleek echter strafbaar. Alles wat de familie nog bezat, zat in die brandkast. Dat ze hem maar meenemen, dacht ze, ze krijgen hem toch niet open.” Nee, ze heeft geen hoge pet op van de gemeente en ook niet van de kerk. Uiteindelijk heeft ze toch de lettercombinatie gegeven. Ze kreeg haar geld terug, maar dat was inmiddels niets meer waard.

Het klinkt misschien raar, zegt ze maar toen Hitler pas aan de macht was hoorde ze haar vader nog zeggen: “Die man bereikt nog wat met zijn aanpak van de werkeloosheid.” Toen de aap uit de mouw kwam, was de liefde over. Maar in het begin waren ze positief over die man, want in Duitsland ging het steeds beter en hier was het nog altijd slecht.
Toen vlak na de oorlog Vera’s vader terminaal ziek was – hij had prostaatkanker – slikte hij vanwege de hevige pijn sterke tabletten. De kapelaan kwam en vader kreeg de absolutie. Die was nodig, omdat hij met een Joodse vrouw getrouwd was geweest. De medicijnen bekijkend zei de geestelijke: “Laat die maar staan, dan kunt u hier al veel uitboeten en hoeft u minder lang in het vagevuur te zijn.” Vera kwam op voor haar lijdende vader en zei dat de pijn zonder medicijnen niet te verdragen was. De kapelaan antwoordde: “U moet zich daarbuiten houden. Ik merk het al, u bent nog steeds een halve Jood.”

Vera’s verhaal is veel langer. Wie er meer van wil lezen, kan bij Sittards Verleden terecht. En ook voor haar poëziealbums, die alleen al de moeite van het doorspitten waard zijn. Rabbi Blijdenstein schreef er zijn wensen in en juf Van Wieringen, destijds onderwijzeres aan de Ds. Hoefer school.

Vera, bedankt voor je oprechte vertelling. Ik kom je een bloemetje brengen. En wie wil, mag mij volgen. Vera verdient dat.

Baer Smit