Stadsboerderij Den Tempel

Het Tempelplein, de vroegere varkensmarkt dankt zijn naam aan de monumentale stadsboerderij die aan de Gruizenstraat gelegen is. Twee eeuwen geleden was wandelen van het Tempelplein naar de Geruizenstraat niet mogelijk. De Gruizenstraat bestond al wel evenals de boerderij maar er was aan deze zijde van de stad geen doorgang in de wal. Het gebied buiten de wal, ten zuiden van de stad was baenje ofwel laag gelegen moerasachtig gebied. Hier bevond zich alleen een waterpoort, het “Steinen Murke” geheten, waardoor de Molenbeek toegang had tot de stad.

Vanaf de Markt  kwam men wel in de Gruizenstraat. Komende vanaf de Markt  passeerde men o.a. de protestantse kerk en vervolgens lagen links en rechts van de straat kleine huizen.  Hier  woonden vooral ambachtslieden, een schoenmaker, een koperslager, schoorsteenveger, een dakdekker enz.

Op het eind van de straat lag onder een booggewelf de grote toegangspoort van de stadboerderij.

Dit monumentale pand, gebouwd in Maaslandse  stijl, dateert van 1652. Er rest nog maar een klein gedeelte van wat er ooit heeft gestaan. Het was een gesloten vierkantshoeve waarvan, bij de grote stadsbrand van 1677,  een groot deel verloren is gegaan. In dat jaar hebben de Franse bezetters de stad in brand gestoken. Naast het woonhuis lag de boerderij, daar waar nu het pand van Gijsen (vroeger Rabobank) ligt en daarnaast aan de beek en grenzend aan de wal lag de watermolen.  Verder maakte ook een mouterij en een brouwerij deel uit van het complex.

De combinatie boerderij/ brouwerij kwam vaak voor. Ook het pand Maastricht in de Begijnenhofstraat was een combinatie van boerderij en brouwerij.  Vaak had de brouwer ook een landbouwbedrijf en een veehouderij. Hij verbouwde zijn eigen gerst en hop en de draf, die de brouwketel hem als afvalproduct leverde, was uitstekend mestvoer voor zijn veestapel.

De molen, gelegen aan de wal, was oorspronkelijk een volmolen die gebruikt werd om de wol te vollen. Sittard was bekend om zijn lakenindustrie. Vollen is een nabewerking van geweven wollen stof waardoor de kwaliteit sterk verbeterde. Deze wollen stof was een tussenproduct van de lakenindustrie. De bedoeling was om de weefselstructuur dichter en vaster te maken (vervilten). Om dit te bereiken moest de stof urenlang, voor sommige kwaliteiten zelfs dagenlang, gekneed worden. Aanvankelijk werd dit gedaan door  voetvollers die in een kuip stonden en met hun voeten op het natte laken stampten. Hierbij werden toevoegingen zoals aarde, urine en zeep gebruikt om het vervilten te bevorderen.

Naderhand werd de molen gebruikt als olie en/of looimolen.  Aan Molenbeekstraat lag de hertogelijke banmolen en alleen hier mocht graan gemalen worden.   In de 19de eeuw mocht ook  de molen aan de wal gebruikt worden voor het malen van graan.

In 1842 was  het pand eigendom van Jan Hendrik Dols. Later worden molen en boerderij gedeeld. De boerderij komt in handen van de familie Nijsten ( Niesten in het dialekt) en de molen gaat naar de familie Damoiseaux. Nijsten heeft de boerderij in de Gruizenstraat

Daarnaast aan de wal ligt de brouwerij, de molen en langs de beek in het verlengde van de molen de boerderij.

In de jaren 30 van de vorige eeuw was de molen een graanmolen. Daar werkten de broers Baer en Harie Damoiseaux. Zij reden met paard en wagen om bij  de boeren het graan op te halen. Het paard had om zijn hals een prachtige schellenkrans. De meeste klanten woonden in Broeksittard maar er woonden ook nog veel boeren in Ophoven en Leijenbroek.

Toen Godefridus Nijsten op latere leeftijd trouwde met Dina Damoiseaux van de molen werd ook dit pand gedeeld en hield Damoiseaux de molen en kreeg Nijsten de boerderij. De meeste grond lag aan de Lahrstraat, richting de Kollenberg. Daar moesten ook de koeien gaan weiden. Ze liepen dan de Gruizenstraat uit, rechtsaf de Plakstraat in en dan verder via de Putstraat naar de Kollenberg. In die dagen had een gemiddelde boer 3 a 4 koeien. De melk werd op de boerderij verwerkt. Omdat de boerderij  midden in de stad lag  waren er dus klanten genoeg en was het niet nodig om de melk naar de St. Rosamelkfabriek te brengen. Met de litermaat kwam men iedere dag verse melk halen. Van de melk die overbleef werd boter gestoten.

Vroeger liep vlak voor de grote ingangspoort een klein straatje, het Katharinastraatje, dat de Gruizenstraat verbond met een pad langs de beek. Op een dag liep het zoontje van Damoiseaux met zijn vlieger op en neer door straatje en ineens was hij verdwenen. Men heeft uren lang gezocht maar kon hem nergens vinden. Men dacht zelfs dat hij meegenomen was door de zigeuners.  Uiteindelijk werd hij gevonden in de beek. De dood van het zoontje van Damoiseaux maakte diepe indruk op de bewoners van de Gruizenstraat.

Na de oorlog stond den Tempel leeg en Matray begon in de Tempel een champignonkwekerij

In 1973 voerde de VVVV actie voor het behoud van het vervallen gebouw met het plan om Den Tempel in te richten als museum.

In 1975-1977 werd het pand door de Stichting Jacob Kritzraedt gerestaureerd. Daarna werd Den Tempel Streekmuseum en Guus Roebroek werd conservator. De opening vond plaats op 18 maart 1977

Het museum ging verhuizen naar het Kritzraedthuis en de horeca nam haar intrek in dit pand.

Vanaf augustus dit jaar stond het pand leeg, maar over niet al te lange tijd krijgt Den Tempel nieuwe uitbaters. Bij de Gulpener Bierbrouwerij hebben zich twee nieuwe uitbaters gemeld om het horeca-etablissement weer nieuw leven in te blazen. 

Wat de nieuwe naam van het café-restaurant gaat worden is nog niet bekend, wel wordt het iets anders dan Den Tempel. Het markante oude pand wordt voor opening van binnen grondig opgeknapt.

 

Aan dit historisch gebouw is ook een legende verbonden:

“Heldewe ’s wagen”

In de “Tempel” te Sittard woonde vroeger een rijk man, Heldewé. Zijn kisten en kasten waren vol goud en hij reed altijd uit in een wagen bespannen met vier prachtige briesende paarden. Zijn vrouw was jong gestorven en hij leefde nog alleen voor zijn beeldschone dochter.

Toen hij van een verre reis, die maanden had geduurd, terugkeerde, miste hij bij zijn thuiskomst de verwelkoming van zijn dochter, waarvan hij zich zoveel had voorgesteld. De deuren en de vensters van zijn huis waren gesloten en niet één van zijn bedienden vertoonde zich. Toen hij binnentrad, vond hij zijn kisten en kasten opengebroken, zijn schatten geroofd en zijn dochter stervende aan de wonden, die de rovers haar hadden toegebracht.

Kort daarna verdween Heldewé uit het land van Gulik. Hij werd niet weergezien, maar zijn geest keerde terug, en iedere nacht, tussen twaalf en één uur, joeg zijn wagen zonder paarden vanuit de lucht naar het Gruizenstraatje, waar zijn huis stond en stormde vervolgens naar de Steenweg. Daar bracht de vader een bezoek aan het graf van zijn dochter, om daarna weer met zijn wagen in de lucht te verdwijnen.