De Geleenbeek

 

Oos sjwarte Baek  Jacques Schreurs

 

Luukes, waat gaon ich beginne,

Want mien erm hart is vol leid

Kent geer eur baek nog herkenne

önger dit piksjwarte kleid?

Vruiger kooste van mich drènke,

Doug me de wesj aan den trap,

Noe loup ich al mer te sjtinke,

Noe is mie waater es pap!

Neemes kump mee langs mich wanjele,

Dan nog het saoves en zaat,

Fitse en penkes en manjele,

Sjmiete de luuj in mien naat.

Kaamde, ziepe en kaole,

Sjlam en den drek oet de koel,

Höbbe mien sjoonheit gesjtaole,

Zeet wie ich sjwart bèn en voel!

Weg is mien hemelsklaor water,

Bliedsjap van klein en van groot,

Weg mie gelachs,
mie gesjaater,

Alle mien vösjkes zeen dood.

Alle mien blömkes gesjtörve,

Niks mee es ratten en muus,

Alles aan mich is bedörve,

Jao, van mich zelf bèn ich vies!

Nuuj is den tied en het laeve,

Blèndj veur de sjoonheit en douf,

Vööl haet den tied ós gegaeve,

Mèh nog vööl mee ös gerouf!

Geer dan, die hie zeet gebaore,

Drök dit èns deip in eure kop,

Vööl van eur sjoons is verlaöre,

Hauwt nog in eer waat geer höb!

 

Dit gedicht schreef Jacques Schreurs in de dertiger jaren voor de revue in Overhoven. De Geleenbeek was van meanderende beek vol leven het afvoerkanaal geworden van de mijnen; zo smerig dat ze in Sittard ondergronds moest gaan. Nu is er weer alle aandacht voor de beek en wordt er in het stadspark hard gewerkt om de beek weer waar mogelijk haar natuurlijk uiterlijk terug te geven.

Tijd om kennis te maken met onze beek.

De beek begint zijn jonge leven in Benzenrade, in een put op een boerenerf en stroomt dan via een vijver bij de Rousch en de Weltervijver verder naar Terworm, passeert de waterzuivering bij Hoensbroek en stroomt vervolgens verder via Schinnen en Spaubeek naar Geleen en Sittard. In Sittard is de beek voor een groot gedeelte overkluisd waarna ze bij Nieuwstad weer zichtbaar wordt. Via een duiker stroomt de beek onder de A2 en het Julianakanaal door en mondt bij Stevensweert, onder de naam Oude Maas, uit in de Maas, hemelsbreed een afstand van 30 km.

De Geleenbeek heeft een behoorlijk verval en dat maakt de beek bijzonder geschikt voor het aandrijven van molens en in het verleden waren er dat heel wat. Slechts enkele hiervan zijn nog bewaard gebleven en een nog geringer aantal wordt nog af en toe in gebruik. Bij Welten ligt de Weltermolen, aan de rand van de Weltervijver. De molen wordt al vermeld in 1381 en behoorde toe aan het Huis Strijthagen tot Welten. De molen wordt zo nu en dan bemalen door een vrijwillige molenaar. Van de watermolen Terworm is nog een klein restant te zien, evenals van de Oliemolen van Weustenrade en de Molen van Brommelen. De Mulraedermolen bij Thull is verdwenen. Van de watermolen van Heisterbrug en de Borgermolen te Schinnen zijn nog enkele resten zichtbaar. Van de Oliemolen van Spaubeek zijn nog restanten aanwezig.

De Kasteelmolen van Sint-Jansgeleen te Spaubeek is nog compleet, maar wordt niet meer gebruikt. De Danikermolen bij Geleen is verdwenen. Dan komen we in de buurt van Sittard: molen Houben in Munstergeleen, bij het geboortehuis van de heilige Pater Karel. Daar zijn nog restanten van een dubbelmolen te zien Hier vormde de Geleenbeek tot begin 19de eeuw de grens tussen het land van Gulick waartoe Sittard behoorde en de Oostenrijkse landen waartoe Geleen behoorde. Andries Houben, de latere pater Karel, werd wel in Munstergeleen gedoopt maar moest aangegeven worden in Geleen want hij woonde aan de andere kant van de grens.

Dan komt de Geleenbeek op Sittards grondgebied. Stromend langs de Ophovenerhof komt de beek vervolgens bij de eerste molen in onze stad, de Ophovenermolen. De molen heeft een middenslagrad met een middellijn van 5,92 meter. Het huidige molengebouw stamt uit 1716, maar al in 1348 werd er een molen op deze plek vermeld. Destijds was het een graanmolen die deel uitmaakte van de Ophovenerhof. Later werd de molen gebruikt als oliemolen. Een tijdlang werd de molen verpacht, maar in 1798 werden de goederen van de Hertogen van Gulik door de Fransen in bezit genomen en in 1805 openbaar verkocht. Jan Baptist Strijbos uit Sittard kocht de molen en liet haar ombouwen tot korenmolen. De banrechten waren door de Fransen opgeheven. De eigenaar van de banmolen aan de Molenbeek van Sittard, Jan Willem Engelen, protesteerde hier echter tegen omdat hij claimde het alleenrecht te hebben op het malen van graan. Dit werd echter van de hand gewezen omdat iedereen volgens de nieuwe wet het recht had graan te malen. Rond 1860 werd de molen verbeterd door het aanbrengen van een middenslagrad, hetzelfde gebeurde nogmaals in 1893 en 1908. Na de Tweede Wereldoorlog werd er nog  nauwelijks gemalen en in1955 werd de molen definitief stilgelegd. Bij een restauratie in 1998 werd de molen hersteld. Malen doet de molen niet maar in plaats hiervan wordt de energie omgezet in elektriciteit. Wanneer de Geleenbeek de Ophovenermolen verlaat wordt het water van de beek gedeeld. Al honderden jaren geleden werd er hiervoor een zijtak gegraven en dit om meerdere redenen. Ten eerste diende deze zijtak, om bij een bij een aanval vanuit het zuidwesten, de Baenje ( natuurlijk niet het verzorgingshuis) onder water te zetten. Daarnaast voorzag deze tak de stad van water en voldoende waterkracht om de molens aan te drijven. Het water werd verdeeld bij de Stenen Sluis in een Molenbeek en Geleenbeek. De Geleenbeek gaat hier verder als Keutelbeek, keutel in de betekenis van klein. De beek voerde immers meestal weinig water omdat het meeste water nodig was voor de Molenbeek. Het water  van de Molenbeek voedde de grachten en kwam de stad binnen bij het Stenen Muurke ( vermoedelijk een verdedigingswerk) en stroomde langs de molen van Damoiseaux aan de Wal en vervolgens langs de Molen van Houben aan de Molenbeekstraat. Beide zijn verdwenen. Dan gaat de beek ondergronds ( wanneer dit gebeurd is staat niet vast maar vermoedelijk al in de 13de eeuw) om vervolgens in de Paardestraat weer te voorschijn te komen. Op de Markt, aan de zijde van de Michielskerk en ook in het eerste gedeelte van de Paardestraat had men toegang tot de beek om er de was te kunnen doen. De meeste van deze smalle paadjes zijn verdwenen. Ook van de molen in het pand van Wetzels aan de Paardestraat is niet veel meer over. De Stadbroekermolen ofwel Molen Roufs is gerestaureerd dankzij de grote inzet van Gjus Roebroek en Sjaak Dehing. Hier kan nog gemalen worden. Het is een turbinemolen. De eerste molen die hier stond werd rond 1582 gebouwd en was een schors- en slijpmolen. De molen stond destijds ver buiten de stad vanwege de stankoverlast die gepaard ging met het malen van de eikenschors die nodig was voor de Sittardse leerlooierijen. De molen stond vlakbij de Schwienswei. Vanaf 1699 werd de Stadsbroekermolen ook als oliemolen en na opheffing van het banrecht in de Franse tijd, ook als graanmolen gebruikt. In 1907 werd het waterrad vervangen door een turbine met een maalinrichting. Gjus Roebroek startte hier met het malen van spelt, een oude graansoort die hij door verschillende boeren op Kollenberg liet verbouwen.

Na het verlaten van de Stadbroekermolen heeft de Sittardse molentak haar werk gedaan en gaat ze samen met de Geleenbeek weer verder richting Susteren.

De Geleenbeek heeft een lange geschiedenis. Zij wordt gevoed door meer dan 40 zijbeken en beekjes en vormde zo mede het dalenlandschap van Zuid Limburg. Bij de opgraving die voorafging aan de bouw van Ligne was duidelijk te zien hoe de beek op die plaats het grote verval, veroorzaakt door de  Feldbiesbreuk langzaam glad gestreken heeft.

Vele eeuwen mocht ze meanderen door het landschap tot in onze eeuw. Haar naam “Geleen” komt van Glana, de heldere. Dat was ze ook totdat de komst van menselijke activiteiten langs haar oevers het water steeds meer vervuilde. De grootste vervuiler bleek de mijn die het water gebruikte voor de kolenwasserijen en vervolgens het met kolenslib vervuilde water richting Sittard liet stromen. In1950 is de Geleenbeek gekanaliseerd om het water zo snel mogelijk af te voeren naar de Maas. Daarnaast werd de beek ook gebruikt als afvoer van het riool. Om deze reden is de beek in Sittard overkluisd, zodat de stank niet aan de oppervlakte kwam.

De inzichten zijn veranderd en de mijnen zijn gesloten. Gekanaliseerde beken blijken niet geschikt als waterbuffer bij calamiteiten. In het verleden had Sittard regelmatig te maken met overstromingen. “ De Beak is oet” werd er dan gezegd.

De afgelopen jaren is er hard gewerkt om de beek weer haar ruimte terug te geven. Ze mag weer meanderen en het water wordt weer helder en langs haar oevers liggen prachtige wandelpaden. Ook in de stad werd de beek weer zichtbaar waar nieuwe gebouwen bij Ligne weerspiegelen in de Geleenbeek.

Ook in het stadspark en bij de Ophovenermolen wordt de beek aangepast aan de nieuwe inzichten wat betreft wateropvang en natuurlijke omgeving.

 

Bronnen: http://www.eifelnatur.de/Niederl%E4ndisch/Seiten/Geleenbeek.html

Hans Schutte lezing Geleenbeek

 

Een wandeling maken langs de Geleenbeek kan dankzij o.a. het initiatief van Ben Bongers

https://izi.travel/nl/c344-glana-nova-drie-ommetjes-langs-de-vernieuwde-geleenbeek/nl

Euversjtruiming         Felix Rutten

 

DE BAEK WAAR OET: de Sjteivig blank,

De Brandjsbrök ònger water!

En dat taenge aovend, kènjer‑leif….

Waat ei’ sjreven en gesjater!

 

Dus woort verhoesd: gesjeer en tuug

En muibele oetgedrage;

Hie ’n sjtouf, en dao ‘ne kaffepot,

Leifs op ene kènjerwage.

 

En dae haauw hounder, dae haauw knien,

Dae ’n geit, die sjtòng in ’t sjtelke.

Me leip en deig en wòs geine raod,

Van de Riekswaeg pès aan ’t Welke.

 

Fing Deitere böökde, wie ze zoug

Hööre kraom nao boete sjleipe:

De klokkekas, de kanape…

Wae wòs waat ze euveral reipe?

 

En èntjelings waar ’t òngerhoes laeg.

Fing hòlj zich veilig baove.

Mer de verkes?’ heisj de ’t noe op éns.

t Waar mee veur höör te plaoge!

 

‘Esof ‘ch neit oppe eesjte plaatsj

Gezörg hei veur mien bigge!’

Reip Fing trök, giftig. ‑’t haauw ze bie

Zich in de bèdsitaat ligge.