Leeuw in de Paterskerk.

 

AZOR langweilte sich an diesem Sonntag-Vormittag des Jahres 1938. Er

hatte keine Familie, keine Gespielinnen, um seiner ihm unbekannten

natürlichen Bestimmung nachgehen zu können. Die Vorstellungen in

diesem runden Käfig vor den vielen Menschen, die ständig diesen Krach

mit den Hunden machten und dabei so hässliche Töne von sich gaben,

hatten ihn lange nicht gestört. Den Mann mit der Peitsche galt es

zufrieden zu stellen, dann konnte er wieder in seinen Käfig zurück und

seine müden alten Knochen ausruhen. Zu fressen und zu saufen gab es ja

genug, darum brauchte er sich nicht zu kümmern. Er war dieses Leben

überdrüssig, es hatte ihm nicht die Befriedigung gebracht, die er sich

vorstellte. Egal wo er sich befand, immer waren da diese Gitter, die seine

Bewegung einschränkten. Nie konnte er einmal so richtig losrennen,

seinen Krallen an einem Baum wetzen, mit anderen Löwen raußen und

seine Kräfte messen. Heute war es besonders langweilig. Kein Mensch

war zu sehen.

In der Kirche der Sankt Roza feiert man das sonntägliche Hochamt. Und

in der Tat sind die Menschen der Stadt Sittard in großer Zahl erschienen

Viele Menschen sieht AZOR in diesem riesigen Menschenkäfig, der bunt

ist, und so groß und schön, wie er noch nie einen Stall gesehen hat. In

dem Zirkus in dem er wohnt, gibt es so große Käfige nicht; und hier gibt

es auch keine Gitter, hier kann man sich frei bewegen, hier ist niemand

eingesperrt. Merkwürdig, wie die Menschen hier in Reih und Glied knien

und alle nach vorne schauen auf einige wenige Menschen in langen

weiß-bunten Gewändern, die fast bis auf die Erde reichen. In der Mitte ist

ein breiter Gang, der geradewegs zu diesen Männern führt. Ein Mann im

langen Gewand steht alleine ganz vorne auf einem höheren Platz an

einem mächtigen festlich geschmückten Tisch.

 

Dit is een gedeelte van het verhaal dat dhr. Karl Heinz Bergers uit Tatheim in juli 1911 publiceerde. U moet het beslist lezen want de voor ons bekende leeuw had volgens Karl Heinz zo zijn eigen gedachten over het gebeuren in de “Paterskerk”

Ik wil u echter eerst vertellen hoe ik met die meneer in contact kwam en hoe het verder ging.

Theo Jöris, van het domijn naast mijn Kapitteldomein, klopte op een dag bij ons aan met in zijn kielzog de man uit de Selfkant. Deze had namelijk gehoord dat er nog één levende misdienaar, die op die merkwaardige zondag in 1938 in de Michiel diende, in Sittard wonen zou. Ik werd verondersteld dat te weten. Maar mooi niet.

Uiteindelijk kwam boven water dat Gerard Oberdorf, ja de “pap” van Theo, die bewuste jongeman was, die destijds als misdienaar de leeuw recht in de ogen had gekeken. Dus op naar de Odaflat waar Sjeer ( Sittards voor Gerard )en zijn huidige partner domicilie hebben.

“Wij hadden drie kinderen”, zegt Gerard als ik naar de foto van Theo wijs.” Mijn dochter Marlie woont in Geldrop, onze zoon Wim in Geleen. Theo is helaas veel te vroeg vertrokken. Als die geschiedenisles gaf, kon je een speld horen vallen.”

Dat weten wij maar al te goed. Aan de hand van meester Theo hebben wij menige stadswandeling gemaakt en iedere keer viel er iets nieuws te beleven. Theo ademde historie. Niet voor niets was hij de grondlegger en de eerste voorzitter van Sittards Verleden.

Wij zijn echter gekomen om te horen of er nog bijzonderheden boven water komen over de bewuste zondag in augustus 1938. Het verhaal van Asor en zijn neef Irus, de twee losgebroken leeuwen, is afdoende bekend.

Wilt u het verhaal nog eens horen uit de mond van Sjeer dan moet u googlen. Jean van Haen vertelde dat Start daar een opname van gemaakt heeft. Start is niet meer, het verhaal is wel nog te vinden op http:/www.streekomroepstart.nl/tv/de-ontsnapping-van-de-leeuwen-asor-en-irus

En die bijzonderheden zijn er.

 

De leeuw lag op zijn gemak op de trappen van het altaar en Gerard als veertienjarige was totaal niet bang. Het stonk er wel als de pest want het dier had net zijn behoefte gedaan.

 

Rector de Gronckel was destijds hoofdcelebrant.

 

De dompteur kwam met hulp van zijn assistent het dier ophalen. Heel kalm streek hij Asor door de manen en bond hem met touwen de poten vast, want de leeuw vertikte het zelfstandig terug te lopen. Hij werd goed ingewikkeld en zo sleepten ze hem de kerk uit.

 

Hoe het buiten verder ging kan Gerard niet vertellen want daar was hij niet bij. Alleen weet hij te vertellen dat “plis Homberg” de mensen toesprak om vooral rustig te blijven.

De Mis moest doorgaan want na de viering ging men in processie naar de Kollenberg. Echter zonder bruidjes van de Plakstraat, waarover straks.

 

Eerst nog de namen van de misdienaars, voor zo ver Sjeer zich kan herinneren. Hij is twee en negentig en dan mag je iets kwijt zijn.

 

Misdienaars in 1938: Jan, Pierre en Theo Sprengers, Mil en Zef Cals, Johan en Henny Messerschmidt, Toon van Wessem, Frans Thissen en Sjeerke zelf natuurlijk.

 

De bruidjes van de Plakstraat.

Een van die meisjes, is Margriet Claessens, een van de tweeling van slagerij Heynen in de Rosmolenstraat. Zij vertelt: “ In 1938 heb ik mijn eerste communie gedaan, zoals men zegt. Het was usance dat de bruidjes in dat jaar en volgende deelnamen aan de processie naar de Rosa kapel. Geëscorteerd door de nonnen van de Plakstraat liepen we op die bewuste processiezondag richting Paterskerk. Eer we goed en wel halverwege de Markt waren, kwam er een politieagent ons tegemoet. “Ga gauw terug want er is een leeuw in de kerk”, zei hij tegen de zusters. Bruidjes en zusters renden in galop terug naar hun verzamelpunt, de bewaarschool in de Plakstraat.” De leeuw hebben ze niet gezien. Ze passen wel in het verhaal.

De kleding van de bruidjes.

Wat ook in het verhaal past, zeker in de geest van die tijd, is Margriets omschrijving van de communiejurkjes en de daarbij behorende verplichte foto.

“De jurkjes werden gemaakt door een naaister, want modewinkels zoals tegenwoordig, waren er niet. De naaister kreeg de opdracht van moeder dat ze in die jurk een dubbele zoom moest maken want die jurkjes moesten een paar jaar mee in de processie. Elk jaar weer werd ‘t jurkje gepast, het moest net tot over de knie reiken. De zoom werd net zo lang uitgelegd totdat je in de vierde of vijfde klas zat. Dan was je eruit gegroeid. Dan hielp ook die zoom niet meer. We moesten ook lange kousen dragen. Geen kniekousen, geen sportkousen, alleen lange kousen. Maar die lange kousen moesten wel blijven zitten. Hoe je dat deed? Je had zo’n gordeltje om van elastiek. Aan de voorkant van dat gordeltje hingen twee banen van knoopelastiek. Daar zaten op bepaalde afstanden spleetjes of te wel knoopsgaten in. Op de kous zat zo’n platte stoffen knoop. Je trok de kous omhoog en de elastiek naar beneden en dan kon je kijken in welk knoopsgat de knoop moest zitten om de kous strak te krijgen. Zo’n knoop zat alleen aan de voorkant, niet aan de achterkant. Dat ging niet want als je erop ging zitten deed dat pijn.”

 

“Toen wij de communie deden, maakte Harrie van Binsbergen, die aan het begin van de Rosmolenstraat woonde, de communiefoto’s. Moeder wilde een grote foto want we waren een tweeling en de eersten die de communie deden thuis.  Alles moest navenant zijn. In vol ornaat met kroontjes op, kwamen we daar binnen. Moeder moest in de  winkel wachten want waar de foto’s gemaakt werden, was het te eng voor meer mensen. Harrie maakte de foto. Toen moeder de prent ging ophalen, zag ze dat de kousen afgezakt waren en dat we van boven rimpeltjes in de kousen hadden. Ze was heel kwaad op Harrie want hij had dat moeten zien. Hij was erbij. Zij had dat niet kunnen zien want ze moest wachten in de winkel.

Je mocht in die tijd ook geen korte mouwen hebben. Mariët, mijn zus,  had een jurkje met korte mouwen. Daar heeft de naaister extra stukjes voor moeten maken, van die inschuifmouwtjes van hetzelfde stof. Die werden dan vastgezet want op de dag van de eerste communie waren lange mouwen verplicht.”

Tot zover die goeie oude tijd.

Sittardenaar van geboorte, Felix Rutten, trok al schrijvend over het Europese continent en door Noord-Afrika. In literaire feuilletons van verschillende kranten publiceerde hij zijn ervaringen. Wat doet dan zijn Leev van Sint Rosa in de omgeving van deze reislustige verteller?

In 1937-hij is dan 55 jaar oud- vestigt hij zich, en nu voor goed, in Rome. De zomer van 1938 voert hem voor het laatst, naar vrienden en bekenden in zijn geboorteland en zijn vaderstad. Dit lezen we in het boek “Doe bleefs in mich.”Bloemlezing uit zijn dialektwerk.”Veldeke reeks 1 samengesteld en ingeleid door Lou Spronck. Felix kan het leeuwengebeuren dus van nabij meegemaakt hebben. Natuurlijk moest die “big sensation in a Dutch church”, zoals in New York in de krant te lezen was, in een gedicht van Rutten aan de goegemeente verkondigd worden. Uiteraard in het dialekt van die tijd.

Baer Smit.

 

De Leev van Sint Rosa  Felix Rutten

 

DIT is ‘T VERHAOL van de Patesjkirk

En de brullende leev van de kirmes-Cirk,

Dae op Zondig waar weggeloupe,

Mit aope moel en mit sjwenkende sjtart…

Veer lagte de henj op oos engstig hart:

Wae zou dat motte bekoupe?!

 

Den orgel sjpeelde en ’t kirkkoor zong,

Wie dae leev zich dao door de minsje vröng.

‘Mariozes, waat geit gebeure?!

Hae geit de Rector, in ’t plechtig kleid,

En de koster zelf, dae naeven ‘m sjteit,

En de koorjungskes versjeure…’

 

Geine minsj, of dae verloor ziene kop.

De veusjte krope de praedigsjtoul op.

Dat waare mich dao gein grappe!

De leev waar pès bie den altaor gedraaf. –

Dao lag hae zich doe, bedaard en braaf,

Op de kösses neir, oppe trappe.

 

Et ènj van ’t leidje waar: knudde en knooi,

De man van de cirk brach hööm trok nao zien kooi.

Doe kooste de luuj gaon kalle. —

Noe nog bèn ich kontent en blie,

Dat ichzelf in Zitterd gewaes bèn, wie

Dat dao is veurgevalle.