Agnetenberg, een heel bijzonder klooster.

Klooster Agenetenberg kent een lange geschiedenis.

We gaan bijna 400 jaar terug in de tijd. Sittard is een kleine  welvarende marktplaats waar intussen al heel wat protestanten zijn neergestreken, een doorn in het oog van de lokale geestelijkheid.

In 1626 worden de Dominicanen gevraagd om naar Sittard te komen. Deze predikheren zouden in staat zijn om iets te doen aan het toenemende aantal protestanten. De Dominicanen vonden onderdak in een pand aan de Plakstraat, het vervallen huis van de rentmeester, de Dobbelsteynforte. Drie jaar later kregen ze een beter onderkomen aangeboden aan de Oude Markt.

Aan de Plakstraat lag ook nog het huis van de voogd. Deze voogd was Philip Henrich von Bentinck,  heer van kasteel Limbricht. Zijn dochter Petronella was kanunnikes in het stift van Susteren, een stift voor adellijke jonge dames. Zij wilde meer doen voor het geloof. Ze hoorde van Angela de Merici, stichteres van orde der Ursulinen ( het hotel aan de Oude Markt werd naar haar vernoemd). Ze vroeg haar vader toestemming om te mogen intreden in deze orde en vertrok naar Luik. Bentinck besloot om zijn dochter de kans te geven om naar Sittard te komen. Hij kocht op 25 januari 1642 de oude voogdij aan de Plakstraat en richtte het in als kloostertje. Petronella kwam in 1644 met 5 medezusters naar Sittard. Lang duurde hun verblijf hier niet want als gevolg van de dertig jarig oorlog werd hun klooster en ook het huis van de familie Dobbelsteyn verwoest en de zusters Ursulinen vluchtten naar Roermond.

 

De paters Dominicanen vroegen de Dominicanessen om naar Sittard te komen en zo  namen op 25 februari 1649 drie zusters uit klooster Engeldael bij Brugge hun intrek. Maria Sibilla Bronckhorst was de overste; zuster Ida Agnes Crockx en novice Willemken van Limet vergezelden haar. De zusters noemden hun klooster Agnetenberg, naar de H. Agnes de Monte Pulciano.

Zij brachten uit hun klooster een klein Mariabeeldje mee, Maria behoudenis der Kranken, het wonderdadig beeldje dat zich nu in de Petruskerk bevindt.

De zusters kochten in 1655 het westelijk aan de voogdij grenzend pand “de Doppelsteinforte” Nu kon het terrein worden ommuurd. Aan de Walzijde maakte men in de muur 14 grote nissen die bestemd waren voor 14 staties.

 

De oude voogdij was echter  bouwvallig en als woonhuis ongeschikt voor de kloosterzusters. Door het toenemende aantal zusters werd het bovendien te klein. Men besloot tot nieuwbouw; het jaartal vindt men terug in de muurankers van het pandhof: 1662. Waarschijnlijk kreeg de nieuwbouw van het klooster in die tijd de naam ‘Sint Agnetenberg”. Het omvatte de oude voogdij en de Dobbelsteynforte. Maar de nieuwbouw verliep niet voorspoedig. In de nacht van 8 februari 1662 werd door een storm alles vernield tot aan de fundamenten toe. Men moest weer opnieuw beginnen. Op 21 november 1663 had de plechtige inzegening plaats.

1677 was het rampjaar, dat gold ook voor het klooster. Op 2 september 1677 werden zusters Dominicanessen overvallen door de Franse soldaten. Na aftocht van de woestelingen verlieten de zusters het klooster en zochten en kregen onderdak in het kasteel van Limbricht.

In 1679 volgde de Vrede van Nijmegen. De Fransen trokken zich terug en de zusters trachtten  de vernielde gebouwen weer te op te knappen. Het benodigde geld hiervoor werd bijeen gebracht door inzamelingen zowel binnen de stad als ver daarbuiten.

In 1669 op 18 augustus werd door vrouwe Elisabeth Cecilia van Breyl, dochter van de heer van Limbricht, in tegenwoordigheid van vele burgers de eerste steen van de kapel gelegd. In 1702 werd de kapel in gebruik genomen. De kapel is een kopie van de Sint Michielskerk op de markt, die jaren eerder door de Paters Dominicanen was gebouwd. In 1706 was het klooster rondom de pandhof compleet.

In 1728 lieten de zusters aan de Plakstraat, rechts van het eigenlijke zusterhuis nog een gebouw neerzetten dat moest dienen als woongedeelte voor leerlingen en buitenzusters.

In 1782 werd dankzij aalmoezen en andere bijdragen een kapelletje gebouwd aan de buitenkant tegen de kerk dat men vanuit de Plakstraat kon betreden. In tijden van nood verzamelde de bevolking zich bij dit kapelletje. In het kapelletje bevond zich een beeld van de H. Helena. In 1960 werd vanwege een verbreding van de Plakstraat het kapelletje afgebroken.

De zusters kregen als eerste een doorgang onder de wal en een stuk grond in de schootsvelden. Deze tuin werd tot de tweede helft van de vorige eeuw gebruikt als groentetuin voor de vele bewoners van het klooster. Nu is het een prachtige siertuin waar ook de overleden zusters van de orde van het Kostbaar bloed hun laatste rustplaats hebben gekregen.

Rond 1800 had Napoleon het hier voor het zeggen. Napoleon vond dat de kloosters te veel invloed hadden, vooral ook omdat de scholen allemaal onder het toezicht van de kloosters vielen. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Hij verordende dat alle kerkelijke bezittingen in beslag genomen moesten worden. Dit gebeurde op 28 november 1797. De zusters werden verbannen. In 1802 zou Agnetenberg publiekelijk verkocht worden maar voor een bedrag van 3200 fr. werd het klooster teruggekocht door het armenbestuur en kon zo behouden blijven. Dat gold niet voor alle bezittingen. Pastoor Page van Limbricht, goed bevriend met Franse bezetter, kocht het orgel en liet het overbrengen naar het Salviuskerkje.

In 1831 bezocht Mgr. van Bommel bisschop van Roermond Sittard en zorgde ervoor dat er weer dagelijkse schoolmissen werden gelezen. Er was echter een groot gebrek aan leerkrachten, mensen om de zieken te verzorgen en opvang voor armen en bejaarden. Men besluit om de Zusters van Onder de Bogen uit Maastricht te vragen om een aantal zusters naar Sittard te sturen. In 1857 kwamen de zusters naar Sittard en namen hun intrek in het klooster van Agnetenberg onder leiding van zuster Seraphine. De orde werd financieel gesteund door het moederhuis in Maastricht maar toen na en aantal jaren bleek dat het klooster in Sittard niet op eigen benen kon staan oordeelde het moederhuis dat de zusters beter terug naar Maastricht konden komen. Zuster Seraphine en haar medezusters wilden hun werk hier niet opgeven en besloten om als zelfstandige orde door te gaan. In 1862 stichtten zij een nieuwe orde, de orde van de Congregatie der liefdezusters van het Kostbaar Bloed.

Begin vorige eeuw telde het klooster twee afdelingen voor kostdames, verder een vrouwenafdeling en een mannenafdeling. Later werden deze afdelingen ondergebracht in het nieuw gebouwde verzorgingshuis “Huize Caritas”, later opgevolgd door de Baenje.

Binnen het klooster kwam een bewaarschool, eerst alleen voor arme  maar later ook voor burgerkinderen. Er volgde een lagere school, een huishoudschool, een ULO en een kweekschool.

 

Honderd jaar lang was de congregatie nauw betrokken bij het onderwijs in onze stad, armenzorg en zorg voor de ouderen In 1984 heeft zij deze taken uit handen gegeven.

 

De laatste zusters  hebben hun klooster aan de Plakstraat  verlaten en hebben hun intrek genomen  in Huize Seraphine op de Wintraek , genoemd naar de stichteres. Met hun vertrek blijft een leeg klooster achter, een gebouw met een geschiedenis van bijna 400 jaar en waar velen onderdak, onderwijs en zorg hebben ontvangen.

De gebouwen krijgen binnenkort een nieuwe bestemming.