Soeur Monique  Baetsen, geboren in Heythuizen op 20 april 1939

Soeur Monique bezocht de lagere school in Heythuizen en ging vervolgens nog in Reuver naar school.

14 Jaar oud was ze toen ze naar Sittard ging en solliciteerde naar een baan in het ziekenhuis. Ze werd aangenomen en kreeg een plaats in de poetsploeg.

Met16 jaar besloot ze om naar het Juvenaat te gaan. Dat bestaat nu niet meer. Het was eigenlijk een middelbare school voor meisjes die kloosterling wilden worden. Het Juvenaat was in het ziekenhuis zelf. Op de bovenverdieping was een studieklas en de meisjes van het Juvenaat waren verplicht om als internen te wonen in het ziekenhuis.

De opleiding duurde twee jaar en werd gevolgd door het Postulaat. Dit duurde een jaar en diende om de congregatie beter te leren kennen en uiteraard kregen de jonge postulanten Franse les; de Goddelijke Voorzienigheid ofwel de Devine Providence was immers een Franse orde. De toekomstige religieuze moest voor haar verdere ontwikkeling naar Aarwinkel bij Posterholt. Daar verbleef soeur Monique nog een jaar en vandaar uit ging ze naar Frankrijk, naar het moederhuis.

Soeur Monique wilde eigenlijk graag naar missie, liefst als kleuterjuf, maar als religieuze beslis je niet zelf over je toekomst.

Ze kwam in 1960 terug naar Sittard en samen met soeur  Johanna ( later directrice over het verplegend personeel) ging ze werken in de verpleging.

Mère Claire en Mère Elise, beide van Franse origine,  stonden aan het hoofd van de zusters, enkel Monique en Johanna waren uit Limburg afkomstig.

Ze volgde de opleiding tot verpleegster en haalde ook de aantekeningen voor Wijk en Kraam. Omdat er te weinig kandidaten in Sittard waren voor deze opleiding moest zij hiervoor naar Maastricht. Terug in Sittard volgde ze ook nog de sociale academie om zo beter ervaren haar werk in de wijk te kunnen doen. Het werd niet de wijk maar box 10 op de kinderafdeling waar ze uiteindelijk terecht kwam en waar ze jaren later de leiding kreeg.

In box10 lagen de zieke zuigelingen die ernstig ziek waren of geopereerd moesten worden.

De afdelingen lagen altijd vol want er werden nog maar weinig kinderen poliklinisch geholpen. Boven was een grote kinderzaal met 80 bedjes. Daar was ook plaats voor couveusekinderen. Ze lagen in boxen van glas.

Vroeger mochten de ouders niet bij de kinderen komen; ze stonden dan achter het raam. Ook de kinderen zonder infectie gevaar zaten achter glas. Ouders mochten zwaaien naar hun kind en soms als ze geluk hadden hield een zuster het kindje even voor het raam. Kinderen huilden veel en waren daardoor ook erg onrustig. Soms lieten de zusters de ouders na het bezoek wel eens even stiekem binnen om hun kinderen te knuffelen en troosten. Men probeerde ernstig zieke kinderen toch zoveel mogelijk aandacht te geven. In de tijd van Dokter van der Zee en dokter Raven mochten de ouders tijdens het bezoekuur wel bij hun kinderen komen. Nog heel wat jaren later mochten ouders buiten de bezoekuren komen. Dat betekende voor de verpleging minder werk omdat de ouders nu voor hun eigen kind konden zorgen.

Zo kon het vroeger gebeuren dat een kind naar huis mocht maar niet meer mee wilde met de ouders omdat het door het lange verblijf in het ziekenhuis geheel van hen vervreemd was.

De kinderen lagen in die tijd vaak wekenlang in het ziekenhuis en als het thuis niet zo goed ging dan bleven ze nog wat langer. Als er veel patientjes waren werden er gewoon bedjes bijgeplaatst.

In die tijd was het hard werken op de kinderafdeling. Aan de achterzijde bevond zich, geheel aparte gelegen, de afdeling voor kinderen met besmettelijke ziektes b.v. kinkhoest of paratyfus. Deze afdeling werd ook wel de barakken genoemd.

Om het besmettingsgevaar tegen te gaan stonden op het balkon bakken water met een desinfecterend middel. Daarin wasten de zusters de luiers want er waren toen nog geen wegwerpluiers. In de wintertijd waren hun handen vaak ruw en pijnlijk van de kou.

Babyvoeding werd door de zusters zelf klaargemaakt en in de couveuse lagen soms kleintjes die ieder half uur hun flesje moesten hebben.

In de nacht waren er 3 verpleegsters voor beide afdelingen.

Het amandelknippen was een van de weinige ingrepen die toen ook al poliklinisch gedaan werd; dat was ´s morgens brengen en in de namiddag ophalen.

Tijdens de dagen van het amandelknippen stonden in de gang aan beide zijden bedjes met daarin de KNO- patientjes. Gelukkig voor haar collega’s had soeur Jeanne had hier de leiding. Zij kon goed opschieten met Dr. Smelt. De andere zusters gingen niet graag met de kinderen naar de KNO want Smelt kon nogal kortaf en snel boos zijn.

Toen Monique in Sittard kwam (1956/57 ) telde het Frans klooster nog ongeveer100 zusters waaronder veel zusters met de Franse nationaliteit. Op alle afdelingen waren zusters werkzaam en veelal hadden ze de leiding over de afdeling.

Box 10 had een hoofd, subhoofd en 6 man verplegend personeel. `s Nachts hadden er altijd maar twee man dienst maar het personeel van de afdelingen hielp elkaar.

´s Morgens begon de dag al vroeg met om 6 uur H Mis in de kapel van het ziekenhuis. Daarna moesten er bij kinderen die op de operatielijst stonden infusen aangelegd worden. Monique leerde dit van zuster Frielink die als hoofd van de couveuse afdeling daar erg bedreven in was. Vervolgens werden de dossiers van de kinderen bekeken, de rapportage van de nachtdienst doorgenomen en vervolgens ging men aan de slag. Het werk bestond het wassen, spuiten, voeden, medicatie geven. Iedereen had zo zijn eigen taak. De een maakte de flesjes klaar, iemand anders zorgde voor de medicijnen. De pap moesten ze zelf maken en geven. Na het verschonen moesten de stoffen luiers in zakken en naar de wasserij gebracht worden. Men nam daar de schone luiers weer mee en moest deze zodanig vouwen dat ze klaar waren voor gebruik tijdens de nachtdienst.

Het personeel van de afdeling moest zelf poetsen, de ramen wassen en iedere dag de bedjes afwassen. De zusters brachten de kinderen ook naar het spreekuur van de artsen.

Het personeel was in ploegen ingedeeld: vroege dienst, middag-, avond- en nachtdienst. Soms had Monique hoofdwacht tijdens de nacht en was dan verantwoordelijk voor heel het ziekenhuis.

In die tijd gingen er wel patientjes naar Nijmegen of het Emma ziekenhuis maar de rest bleef gewoon in Sittard. Het ziekenhuis was van de congregatie en de zusters ontvingen geen salaris. Dat maakte de groei van het ziekenhuis mogelijk. Bovendien beschikten de zusters over een eigen keuken, tuin en wasserij. De zusters werkten de hele dag, keken niet op een uur en ´s avonds werden zij nog vaak gebeld om uit te helpen.

In die tijd lagen er ook geestelijk gehandicapte kinderen in box 10. Vaak bleven ze lang en kwamen dan helemaal niet buiten. De zusters kregen van particulieren kinderwagens cadeau en konden zo met die kinderen naar buiten Als men op tijd klaar was kon de verpleegster even gaan wandelen met een kindje.

Door dokter de Goede werd de eerste hazenlip operatie uitgevoerd. Om te voorkomen dat kinderen de wond zouden openkrabben schoof men lege Vimbussen als kokertjes over hun armen.

Om op de kinderafdeling te werken moest je veel geduld hebben. Eten geven was zo´n klus want zieke kinderen eten niet graag. Soms moest men vechten voor het leven van een kind en twijfelde men achteraf men wel de juiste keuze had gemaakt.

Het team was in die tijd een eenheid en straalde warmte uit. Iedereen deelde alles met elkaar. Kinderen lagen veel langer in het ziekenhuis lagen waardoor men een band kreeg met de patientjes. Nu is het management de baas en is de top niet langer meer direct betrokken bij het wel en wee van de patiënten.

De tijd dat religieuzen overal aanwezig waren in het ziekenhuis is nu definitief voorbij.

Zij hebben het ziekenhuis opgebouwd en door de twintigste eeuw geloodst.

Een nieuwe generatie bouwt nu het ziekenhuis van de 21ste eeuw maar zusters van de Goddelijke Voorzienigheid komen daar niet meer aan te pas.

Met dank aan Soeur Monique Baetsen

Mia Könings ( interviewer)