Fort Sanderbout, 30 jaar na de restauratie

In het najaar van 2015 was het precies 30 jaar geleden dat Fort Sanderbout voor de tweede maal werd gerestaureerd. De restauratie was een initiatief van de Juniorkamer Swentibold, in afstemming met de gemeente Sittard (eigenaresse van Fort Sanderbout), de VVV Sittard en de landelijke Stichting Menno van Coehoorn tot behoud van historische vestingwerken. Als voorzitter van de restauratiecommissie heb ik de restauratie van nabij mee mogen maken. Ook de afgelopen dertig jaar heb ik me bezig gehouden met het wel en wee van de voormalige Sittardse vestingwerken en met dit voormalige bolwerk in het bijzonder, het meest tastbare stenen overblijfsel ervan.

In deze bijdrage wil ik u daarom meenemen naar het verleden, het heden, en de mogelijke toekomst van Fort Sanderbout.

De eerste restauratie (1937)

Van de voormalige Sittardse bolwerken bleef alleen Fort Sanderbout gespaard, omdat zich boven op het bolwerk een Joodse begraafplaats bevond. Andere bolwerken waren in de loop der tijden gesloopt. De wal bleef de oude binnenstad omringen, totdat in de vorige eeuw het gedeelte tussen de Begijnenhofwal en de Agnetenwal werd geslecht. De oorsprong van de huidige wal (in relatie tot een vroeger waarschijnlijke stenen stadsmuur) roept tot op heden veel vragen op.

Of het bolwerk meteen ten noorden van de vroegere Putpoort altijd Fort Sanderbout heeft geheten is nog maar de vraag. In de Limburger Koerier van 13 juli 1938 en in ‘Sittard, historie en gestalte’ op pagina 55 wordt hieraan getwijfeld. Mogelijk ook dat het vroeger Fort Louis of Fort La Catz heeft geheten. De term ‘fort’ voor muurtorens en bolwerken in Sittard is bovendien opvallend, omdat forten in principe zeer grote, los van een stad gelegen, verdedigingswerken waren, die in tijden van gevaar een heel garnizoen konden herbergen. Dit gold uiteraard niet voor de Sittardse bolwerken.

Zolang als bekend bestaat Fort Sanderbout uit een 50 meter lange, 2.30 meter hoge en 2.80 meter brede, gang (een zogenaamde poterne), die begint in het pand Putstraat 52 en dwars door de wal verloopt. Om deze reden moet men hier met trappen de wal op gaan, om snel op het niveau boven de gang uit te komen. De langzaam afhellende lange gang eindigt in een dwarsgang: naar links (het noorden) begint een tien meter lange gang die eindigt in een 2 bij 3 meter grote kazemat (een bomvrije kelder), voorzien van twee kruitkamers. Vanuit de twee schietgaten van deze kazemat kon de wal/de stadsmuur naar het noorden voorzien worden van flankvuur voor het geval de vijand tot de wal/de stadsmuur was genaderd. De vroegere gang naar rechts (naar het zuiden) eindigt momenteel na enkele meters. Vermoedelijk was deze oorspronkelijk ook tien meter lang en kon de bijbehorende kazemat de vijand beschieten die tot aan de Putpoort was genaderd. Op de gangen ligt een metersdikke laag aarde ter bescherming. Om verstikking door kruitdampen tegen te gaan waren een paar luchtkokers aangebracht in de poterne, dwars door de metersdikke laag aarde. Lang geleden is de poterne dichtgemetseld ter hoogte van de waldoorgang. Hierdoor ging de oorspronkelijke functie verloren: het kunnen verplaatsen van kanonnen en soldaten vanuit de stad naar de kazematten.

De noordelijke kazemat was tijdens vroegere oorlogshandelingen zodanig vernield dat in 1937 besloten werd deze te restaureren. Dit gebeurde onder leiding van de heren J. Timmers en I. Schoenmakers. Het vermoeden bestond toen dat het bolwerk een zogenaamd rondeel was geweest, een grote, laatmiddeleeuwse (rond 1500) ronde ‘toren’, waar kanonnen ín en óp konden staan (vergelijk de rondelen ‘De vief köp’ en ‘Haet ende Nijt’ in Maastricht). De T-vormige gang met kazematten paste in deze theorie. Het rondeel geheel herbouwen was geen optie en daarom werden wel de gangen en de kazemat gerestaureerd/gerecontrueerd. Daarbij werd een rechtstreekse ingang gemaakt aan de veldzijde via een van de kruitkamers omdat de lange gang, zoals vermeld, ter hoogte van de waldoorgang was dichtgemetseld. Bedoeling was om na restauratie de rest van dit bolwerk in te richten als een museum.

Zover zou het echter niet komen: tijdens de Tweede wereldoorlog werden de gangen en kazemat regelmatig gebruikt als schuilkelder.

In het decembernummer 1953 van de Bond Heemschut (verwoord in de Gazet van Limburg van 17 december 1953) pleitte overste Schukking, secretaris van de Stichting Menno van Coehoorn en vestingbouwpsecialist in de Monumentenraad, voor behoud van de Sittardse wallen en voor opwaardering van Fort Sanderbout. Echter, in de jaren zestig van de vorige eeuw werd de lange gang van het ‘fort’ omgebouwd tot schietkelder voor de politie, waartoe de muren werden bepleisterd en voorzien van spots, er rails aan het pafond werden aangelegd voor bewegende doelen, en de gang gevuld werd met zand.

Vanwege vandalisme werden de toegang en schietgaten in de zeventiger jaren dichtgemetseld en verdween de kazemat langzaam onder afkalvende grond.

De tweede restauratie (1985)

Dit was de situatie in 1983 toen de Juniorkamer besloot, mede op verzoek van de Sittardse VVV en Gus Roebroek (conservator van Museum Den Tempel en stadsarcheoloog), het ‘fort’ te gaan restaureren. De VVV en museum Den Tempel hoopten het interieur na restauratie alsnog in te richten als museum en onderdeel uit te laten maken van stadswandelingen, als impuls voor nieuwe toeristische mogelijkheden in de stad Sittard. Uit de leden van de Juniorkamer werd de Commissie Fort Sanderbout gevormd, bestaande uit: Hennie Femer, Frank Sikkes, John Nijsten, Lou Smeets, Wim Dieteren en ondergetekende. De Commissie wist € 30.000 aan sponsorgelden te vinden en legde contact met Bouw- en Aannemingsmaatschapppij Vic Laudy, die een onmisbare rol zou spelen tijdens het hele restauratietraject.

Op 9 juli 1984 werd het interieur na jaren weer geopend door de Fa. Laudy, in aanwezigheid van Gus Roebroek en de restauratiecommissie: de bovenste helft van de (nieuwe) toegangsdeur werd open gehakt (de rest lag onder de grond) en we lieten ons met een paar man naar beneden zakken, voorzien van enig licht. Al snel kwamen we via de voormalige kruitkamer in de voormalige kazemat. Hier troffen we een geweldige puinhoop aan: diverse banken en tafels, deels verbrand en op een hoop gegooid. In de lange gang de verroeste resten van de rails aan het plafond ten behoeve van bewegende doelen.

Op basis van de bevindingen offreerde  de  Fa. Laudy voor:

  • grondwerkzaamheden buiten het fort
  • reconstructie en herstel van alle metselwerk en voegwerk
  • plaatsen van een met hout beklede stalen deur
  • het openen van de voormalige schietgaten en het aanbrengen van diefijzers waarachter plexiglas
  • plaatsen van een houten vloer over het zand in de lange gang
  • verhogen van de ‘walmuur’ ter plekke om verdere afkalving van de heuvel te voorkomen

De restauratie zou begeleid worden door Gus Roebroek en door Tam Jonkergouw, correspondent van de Stichting Menno van Coehoorn.

Tijdens een persconferentie op 11 maart 1985 in het Nationaal Sportcentrum werden de plannen bekend gemaakt, waarna de restauratie in april van start ging.

Snel na het weggraven van de grond kwam er vóór de nieuwe ingang uit 1937, en aansluitend aan de kazemat, een gedeelte vrij van een rondverlopende muur. Hiermee leek de eerder veronderstelde rondeel-vorm bevestigd te worden. Om de muur te behouden en functioneel te maken werd ze opgenomen in een nieuwe trappenpartij.

Vervolgens werd de heer Besemer van de Stichting Menno van Coehoorn gevraagd om ter plekke te komen kijken. Hij verraste ons met een geheel nieuwe theorie: op basis van de aanzet van een gewelf in de keermuur van de wal, rechts van de schietgaten, en de rest van een muuraanzet links van de schietgaten, vermoedde hij dat er een gewelf had gelegen voor de kazemat om te voorkomen dat de schietgaten zouden geblokkeerd worden door omlaagvallend puin. Indien dit gewelf inderdaad had bestaan, zou dit onderdeel hebben kunnen uitmaken van een Italiaans bastion, eventueel als opvolger van het rondeel. Een bastion was het antwoord op het probleem dat ronde en vierkante muurtorens hadden: een dode hoek, waar de vijand niet te raken was door de verdedigers. Door de dode hoek op te vullen met muurwerk ontstond een puntige toren met vier zijden (twee facen en twee flanken) buiten de stadsmuur. Op deze manier konden alle zijden van het bastion vanaf de stadsmuur met flankvuur beschoten worden en verdween de dode hoek. Deze uitvinding veroverde vanaf het begin van de zestiende eeuw Europa vanuit Italië. Meteen al bedachten de Italiaanse architecten dat het verstandig was de flank, grenzend aan de stadsmuur, terug te laten wijken. In deze teruggetrokken flanken werden kazematten gebouwd, die net als bij de middeleeuwse torens en rondelen flankvuur konden geven langs de stadsmuur. Het deel van het bastion, gelegen aan de veldzijde van de kazematten (het oor of oreillon) beschermde de schietgaten tegen vijandelijk geschut. Vaak werd de teruggetrokken flank voorzien van een gewelf.

Met deze kennis vermoedde de heer Besemer dat Fort Sanderbout dus een Italiaans bastion was geweest.

Behalve Tam Jonkergouw had nog niemand van de Sittardse betrokkenen gehoord van een Italiaans bastion, laat staan dat Sittard er een gehad zou hebben. Maar ook hiervoor had de heer Besemer een verklaring: hij legde de link met de stad Gulik (Jülich), hoofdstad van het voormalige gelijknamige hertogdom waartoe Sittard eeuwenlang behoorde: de stad en citadel van Gulik waren door drie generaties Pasqualini, bouwmeesters oorspronkelijk afkomstig uit Bologna, gemoderniseerd naar moderne inzichten, inclusief bastions met oreillons (de citadel is tot op heden bewaard gebleven). Hij suggereerde dat mogelijk vader Alessandro Pasqualini of zoon Maximilian fort Sanderbout ontworpen zou hebben. In dat geval was Fort Sanderbout echter beduidend kleiner dan de Italiaanse bastions die in Gulik gebouwd werden.

Om de theorie te kunnen bewijzen werd op 1 juni begonnen met het graven van een proefsleuf, ongeveer in het verlengde van de lange gang. En inderdaad: op 3 juni werd op ongeveer 1.70 meter onder maaiveld een 1,5 meter brede mergelstenen muur aangetroffen, schuin verlopend in de sleuf, precies op de plek waar de heer Besemer deze had ‘voorspeld’. Hiermee leek de bastionvorm bevestigd te worden en was Sittard een (voor Nederland) unieke attractie rijker.

Naar mijn mening maken de nog bestaande muurresten de opvolging van een oorspronkelijk rondeel door een Italiaans bastion zeer waarschijnlijk: de vroegere geweldragende muur rechts van de schietgaten is namelijk deels gebouwd vóór de mergelstenen die het rechter schietgat vormen. De muur lijkt er dus later tegen aan gebouwd te zijn. Het idee van een T-vormige gang met kazematten voor flankvuur, zoals gebruikt voor het rondeel, bleef immers actueel, ook in het idee van het moderne bastion. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat halverweg de zestiende eeuw de T-vormige gang met kazematten en schietgaten van het toenmalige rondeel werden gehandhaafd, terwijl de ronde vorm van het rondeel werd geslecht om plaats te maken voor de moderne pijlvorm van een Italiaans bastion. Daarbij werd vóór de kazemat een gewelf gebouwd als overkluizing van de teruggetrokken flank.

Er zijn argumenten die pleiten voor Alessandro als bouwer, andere voor Maximilian als bouwer. Zelf neig ik het meest richting Maximilian. In ieder geval werd in de Sittardse rentmeestersrekeningen van 1565/1566 een passage gevonden die een verband legt tussen Maximiliaan (ook de bouwer van het renaissance-stadhuis op de Sittardse markt) en de Sittardse vestingwerken: ‘… nhae verordnung des Bauwemeisters Maximilian’. Hij was in ieder geval dus in Sittard actief.

Maar ook andere (Italiaanse) architecten hebben in de zestiende eeuw vestingsteden binnen het hertogdom Gulik gebouwd resp. gemoderniseerd; dus ook iemand anders dan een Pasqualini-telg kan aan Fort Sanderbout gebouwd hebben.

De hier beschreven feiten laten echter zien hoe ogenschijnlijk bouwkundige details een theorie oproepen (die van een Italiaans bastion), die door archeologisch onderzoek én archiefonderzoek bevestigd lijkt te worden.

 

Nadat de restauratie beëindigd was, kon het vernieuwde Fort Sanderbout weer geopend worden. Dit gebeurde op 14 september 1985. Na ontvangst in Schtad Zitterd om 14.30 uur trok de stoet genodigden, vergezeld van schutterij St. Lambertus en de Philharmonie naar Fort Sanderbout. Een deel van het gezelschap kon bij de schietgaten beneden plaatsnemen en staan; de rest stond (vanwege plaatsgebrek beneden) bovenop het ‘fort’. Na diverse toespraken werd het ‘fort’ door burgemeester J. Tonnaer onthuld: onder het gebulder van kamerschoten trok hij de grote doeken omhoog, die de kazemat aan het zicht onttrokken. Daarna konden alle genodigden het gerestaureerde ‘fort’ van binnen bezichtigen.

Het recentere verleden

Om de theorie van het Italiaanse bastion niet verloren te laten gaan, beschreef ik de bevindingen ten tijde van de restauratie in het Historisch Jaarboek voor het Land van Zwentibold van 1991. In zijn boek ‘Schtadt Sittard’ nam Piet van Luyn deze theorie over en projecteerde deze theorie ook op het bolwerk dat vroeger naast de Broekpoort had gelegen en waar ter plaatse in het begin van de negentiende eeuw het  ‘t Huys op ’t Fort verrees. Ook hier zag hij gelijkenissen met een Italiaans bastion.

Daarnaast was al langer bekend dat op de ‘Tranchotkaart’ uit ongeveer 1810 ten zuiden van de stad een puntvorm in de gracht te zien was. Dit zou erop kunnen wijzen dat hier ook een (Italiaans) bastion of van een ravelijn (een losliggend verdedigingswerk ín de gracht) heeft gelegen. Ook bij de aanleg van de Odaparking werd ten noorden van de wal een puntvormig stuk gracht ontdekt, mogelijk óók duidend op een bastion of ravelijn. Dit zou erop kunnen duiden dat Sittard in het verleden beter en moderner versterkt is geweest dan vóór de restauratie vermoed werd. In die tijd sprak Tam Jonkergouw voorzichtigheidshalve liever nog van ‘Sittard, verdedigbare stad’ terwijl we nu kunnen aannemen dat Sittard echt een vestingstad is geweest.

Ten behoeve van de lezing over ‘Sittard vestingstad’ voor onze vereniging, eind 2013, hebben Ries van Doorn, Peter Schulpen, Martin Pfeifer, Theo Jöris en ondergetekende nog eens alle bekende feiten rond de vroegere vestingwerken van Sittard op een rijtje gezet. Duidelijk is dat er nog veel vragen te beantwoorden zijn. Wel beschreef Peter Schulpen in het Historisch Jaarboek voor het Land van Zwentibold 2013 vervolgens zijn vermoeden van het bestaan van een mergelstenen stadsmuur uit rond 1400, die nu nog deels in de wal terug te vinden is.

Ook tijdens de heropening in 1985 werd weer gesuggereerd dat het interieur van het ‘fort’ ingericht zou worden als museum. Dat is echter nooit echt van de grond gekomen. In eerste instantie was het hoge vochtigheidsgehalte binnen een probleem. Daarom stonden er aanvankelijk alleen enkele stenen voorwerpen. Sinds 1990 werd er echter een ontvochtigingsinstallatie geplaatst en kon een middeleeuwse kanonsloop met gereconstrueerd affuit (onderstel) geplaatst worden. Met name Hub Geurts heeft regelmatig geprobeerd het ‘fort’ een betere bestemming te geven.

Zelf heb ik, toen enkele jaren geleden het pand Putstraat 52 te koop stond, gepoogd dit pand te doen aankopen door de gemeente of een particulier. Als dit gebeurd was, was Sittard mogelijk echt een unieke attractie rijker geweest: de muur ín de lange gang die het pand scheidt van de lange gang, had afgebroken kunnen worden en daarmee was de oorspronkelijke toegang weer bereikbaar geworden. De nieuwe toegang aan de buitenkant had weer dichtgemaakt kunnen worden, tenzij gehandhaafd als nooduitgang. In het pand had een dependance van het stadsmuseum ondergebracht kunnen worden met als onderwerp de Sittardse vestingwerken. Van hieruit hadden bezoekers op de vroegere manier (via de lange gang) de kazemat kunnen bereiken. Op de eerste verdieping van het pand had een eenvoudige horeca-voorziening ingericht kunnen worden voor bezoekers. Hoe leuk, aantrekkelijk en informatief was het niet geweest daar kinderfeestjes te organiseren: horeca, museum en een spannend bezoek aan het interieur van het ‘fort’, inclusief speurtocht; dit alles binnen handbereik van elkaar en altijd droog ….. !!!

Een mogelijke toekomst

Op 7 september 2013 vond de presentatie plaats van het tweede wandelboekje van onze vereniging: ‘Vestingwandeling in en rondom het eeuwenoude vestingstadje Sittard’. Het eerste exemplaar werd door (toen nog) gedeputeerde Noël Lebens in ontvangst genomen. Ron Raumen speelde op een meesterlijke manier de rol van bouwmeester Pasqualini toen het informatiebord bij de ingang van het ‘fort’ werd onthuld.

Hopelijk stimuleert ook dit VSV-wandelboekje de interesse in de Sittardse geschiedenis, specifiek ten aanzien van de voormalige vestingwerken. Hierbij is het wel belangrijk dat de omgeving van de kazemat regelmatig wordt ontdaan van zwerfvuil. Want ondanks toezeggingen en activiteiten van de gemeente Sittard-Geleen ligt er regelmatig veel rommel bij de schietgaten en onttrekt begroeiing de schietgaten regelmatig aan het zicht. Dit maakt een bezoek aan (het interieur van Fort sanderbout) niet aantrekkelijk.

 

Hopelijk kan het interieur van het ‘fort’ in de toekomst alsnog een structurele (toeristische) bestemming krijgen, waarbij in ieder geval drie, in Sittard gevonden kanonnen, een plaats in het ‘fort’ zouden moeten krijgen. Op dit moment is de toekomst van Fort Sanderbout echter nog onzeker. Mogelijk dat er ontwikkelingen te verwachten zijn in de verdere fasen van Zitterd Revisited of in het verlengde van bouw van de Engelenhof. Het zou mooi zijn indien de vermoede vroegere vorm van het Italiaans bastion gevisualiseerd zouden kunnen worden. Hiertoe zou er eerst verder archeologisch onderzoek moeten plaatsvinden om deze vorm te bevestigen danwel te ontzenuwen.

Wat er ook gevonden zou worden, het verdient aanbeveling de resten zichtbaar te maken voor komende generaties. Indien de grond in de onmiddelijke omgeving van de kazemat in handen van de gemeente zou kunnen komen, zouden mijns inziens onder andere de volgende opties ontstaan:

  1. de kuil, die is ontstaan door de opgravingen, openlaten en bekisten, om zodoende de originele fundamenten zichtbaar te laten
  2. de grond terugbrengen en de omtrek van het voormalige bolwerk uit te beelden via een haag of met Cortenstaal
  3. het bolwerk driedimensionaal uitbeelden via lasertechnieken
  4. de ultieme (maar ook duurste en verregaanste) reconstructie is natuurlijk om -bij voldoende gevonden aanduidingen van de vroegere bouw- het opmetselen van de stenen onderdelen en het vullen ervan met aarde, zodat er weer een ‘echt’ bastion ontstaat.

 

Ten slotte: hoewel de vroegere vorm van Fort Sanderbout nog onduidelijk is, is het ongetwijfeld een kleinood, dat het waard is om gekoesterd te worden. Hopelijk bieden nieuwe ontwikkelingen nieuwe kansen om ‘oude’ wensen te realiseren.

Frank Keysers

Literatuur:

Boekje, uitgegeven b.g.v. de opening van Fort Sanderbout, 14 september 1985

Frank Keysers; Gus Roebroek en de restauratie van Fort Sanderbout, Historisch Jaarboek voor het Land van Zentibold 1991, 104-112

Besemer

Tam Jonkergouw en Schoennmakers

Atlas

Ad Oremus

Stadt Sittard

OMD

VSV 2013 Ber Schmit

HJLvZ 2013 Peter