Apotheek van Kempen

In de 20ste eeuw waren er in Sittard 3 apotheken, allemaal gelegen in de binnenstad.
Apotheek van Gansenwinkel lag op de Markt. Apotheker was Frans Antonius Hubertus van Gansenwinkel, geboren op 23 december 1821 in Aken. Hij stond ingeschreven als koopman/apotheker. Hij is overleden op 12 april 1900 in Maastricht (Limburg), hij was toen 78 jaar oud.
Zijn zoon was Frans Hubert Anton van Gansewinkel. Hij is geboren op 18 november 1849 in Sittard op de Markt. Hij stond ingeschreven als apotheker/ handelsreiziger/ koopman. Hij is overleden op 19 september 1906 in Maasbree (Limburg), hij was toen 56 jaar oud.
Hij wordt opgevolgd door achtereenvolgens, De Rooy, Pluijmakers uit Heerlen en Hoens. Dan volgt Karel Bloemen. Hij verhuist de apotheek naar de Limbrichterstraat no 3, naar het pand van drogisterij “De Magneet” van Thijsen.
Zijn zoon, Frans Bloemen, volgt hem op.

Apotheek Timmers bestond al in de 19de eeuw. Apotheker was Anton Adam Timmers (1818-1877), een koopmanszoon. Hij had al een apotheek in het pand aan de Limbrichterstraat (bènne de wal aan de poart gelaege). Zijn zoon Theophile trouwde met Bertha Langohr. Zij kregen een zoon Joseph of wel Zef Timmers, de latere professor Timmers. Zijn moeder stierf jong en Zef werd opgevoed door twee ongetrouwde zussen van Theophile. Hij ging wel studeren maar niet voor apotheker en de apotheek werd overgenomen door de heer Boelens.

Ook Gerard (H.G.J.) van Kempen was zoon van een koopman, een kruidenier. De winkel van zijn vader was gelegen aan Limbrichterstraat no 2.
Van Kempen, Theodorus Hubertus, geboren te Maasbracht op 8-04-1875, overleden te Sittard op 1-12- 1967. Hij was gehuwd met Maria Catharina van Kempen-Ververgaert, geboren te Steyl op 12 april 1872, overleden te Sittard op 6 juni 1956.

Het echtpaar kreeg 5 kinderen, twee jongens en drie meisjes: Gerard, Theo, Fien, Mariet en Jo.

Zoon Theodoor Hubertus Marie van Kempen, geboren te Sittard op 4-01-1906, overleden te Sittard op 28- 01-1987, was gehuwd met Adelgunda Maria van Kempen-Koullen uit Kerkrade. Hij heeft de zaak van zijn vader overgenomen

Zoon Gerard van Kempen, geboren 3 -03-1914 en overleden op 20-12-2005, wordt apotheker en trouwt met Roos Alberts uit Sittard. Zij is apothekersassistente.

De kruidenierswinkel verhuisde naar Limbrichterstraat 44 en Gerard begon een apotheek in drogisterij De Mortier, gelegen naast de winkel van zijn ouders.
In 1953 kocht hij een pand in de Voorstad no 10 en richtte een nieuwe apotheek in.

In iedere apotheek moet een apotheker aanwezig zijn dus Van Kempen werkte in de beginjaren enkel in zijn eigen apotheek maar 1 januari 1956 werd hij door de directeur van het ziekenhuis, dokter van der Hoff in dienst genomen met de opdracht om een nieuwe apotheek in te richten in het ziekenhuis.
Al in 1957 had Van Kempen ook een groot deel van de directietaken overgenomen. In 1959 werd hij benoemd tot voorzitter van het bestuur van het ziekenhuis en niet veel later werd hij adjunct-directeur en later directeur van het ziekenhuis De Goddelijke Voorzienigheid.
In zijn apotheek kwam een apotheker in dienst voor de dagelijkse gang van zaken. In de 60tiger jaren was dat mevrouw Hallie.

Naast de apotheker waren er bij Van Kempen gemiddeld 6 à 8 apothekersassistenten in dienst. In die tijd was er nog geen school waar je opgeleid kon worden tot assistente. Dat gebeurde door apothekers in eigen apotheek. Zo ook bij Van Kempen.

Assistent werd je na een opleiding van 1,5 tot 2 jaar.
De opleiding werd gegeven in een klaslokaaltje achter de apotheek. De opleiding bestond uit 1 of 2 dagen theorie. Er werd lesgegeven door o.a. de apothekers Buyzen, Merkens en Hallie en docent van het College, Jan Oremus.
De vakken waren:
Latijn, want alle artsen schreven hun recepten nog in het Latijn. Er waren nog niet zoveel kant en klaar producten en de meeste medicijnen moesten nog bereid worden in de apotheek. Een recept bestond dus uit het aantal bestanddelen met erachter de hoeveelheid vermeld. Onderaan stond het gebruik en soms ook de manier van verpakken.
Scheikunde was ook belangrijk want je moest immers weten op welke wijze grondstoffen op elkaar reageren.
Goed kunnen rekenen was letterlijk van levensbelang want er werden heel wat giftige stoffen verwerkt en een komma op de verkeerde plaats kon dodelijk zijn.
Natuurkunde was nodig omdat er ook nogal wat natuurkundige processen plaatsvonden. Daartoe behoorde ook het verdunnen van spiritus.
Een assistente moest 116 verschillende planten en bestanddelen van planten, in gedroogde vorm, kunnen herkennen en weten welke grondstoffen deze planten leverden. Neem bijvoorbeeld het vingerhoedskruid; dat levert digoxine en digitoxine, beide gebruikt in tabletten voor hartproblemen.
Een ander vak was het leren van de synoniemen van geneesmiddelen en grondstoffen (veel geneesmiddelen waren bekend onder meerdere namen. U kent vast allemaal wel aspirine. Dat is ook bekend onder de naam Acetylsalicylzuur. In de naam zit meteen ook een naam van een plant, de Salix en u kent deze plant als de wilg. De bast van de wilg bevat aspirine, iets dat zelfs diersoorten weten en er gebruik van maken als ze ziek zijn. Mensen in een heel ver verleden zagen het resultaat en leerden zo dat de natuur geneesmiddelen kan leveren voor heel veel gezondheidsproblemen en zelfs in onze moderne tijd gaan mensen de natuur in op zoek naar oplossingen voor ongeneeslijke ziektes.

Terug naar de opleiding. Naast theorie kregen de leerlingen op de overige dagen praktijkles. De opleiding duurde 1,5 à 2 jaar en dan mocht je examen doen. Dat kon alleen in Utrecht, in een gebouw van de universiteit, gelegen aan de Catharijnesingel. U kent de waarschijnlijk het grote winkelcentrum Hoog Catharijne; dat bestond toen niet maar het universiteitsgebouw lag daar niet ver vandaan.

Het examen duurde een hele dag; ’s morgens latijn, natuurkunde, scheikunde, herkennen van plantjes en synoniemen. ’s Middags moest men 4 recepten maken.
Op het eind van de dag was de diploma-uitreiking en na het afleggen van de eed van Hippocrates (daarvoor moest je 18 jaar zijn) mocht je beginnen als apothekersassistente.

In de jaren 50 was het salaris Fl.148 voor een 48-urige werkweek.
2 assistenten begonnen om 8.30 en werkten tot 18.30 en de rest begon om 9.00 en werkte tot 19.00. Ook op zaterdag was de apotheek open, later alleen nog de ochtend en daarna was op zaterdag de apotheek gesloten.
Avonddienst was er een keer in de drie weken want er waren 3 apotheken in Sittard
2 assistenten deden de avonddienst tot 22.00.
Vroeger woonde Van Kempen boven de apotheek en deed hij de nachtdienst.
Toen zijn neef Sjra van Kempen boven de apotheek woonde deed hij de nachtdienst.

Honi soit qui mal dispense

U zult vast denken dat er iets mis is met mijn kennis van het Frans maar deze tekst stond op een van de potten die boven op het rek met de voorraadpotten stonden, zichtbaar voor de klanten en als waarschuwing aan iedereen die er werkte.
Het is een afgeleide van het gezegde Honi soit qui mal y pense (wee diegene die er kwaad van denkt) en het betekent “wee diegene die verkeerd mengt”

Als men de apotheek binnenkwam kon men links of rechts het recept afgeven. Rechts was een zithoek waar men kon plaats nemen om te wachten

Voor, in de apotheek, werden de recepten ingeleverd en voor zover het ging om kant en klaar producten of snel samen te stellen medicijnen werden ze meteen meegegeven. Dat is nu wel anders. Veel moest nog gemaakt worden. Meestal mocht men even wachten en als men pech had moest men terugkomen. Voor in de apotheek konden eventueel recepten klaar gemaakt worden maar het merendeel ging naar achter. Tussen het voorste gedeelte aan de straat en het achterste gedeelte lag links een klein laboratorium waar de grondstoffen gekeurd werden. Dat werd door de apotheker of een analiste gedaan. Rechts lag een kantoor. Verder was er een voorraadruimte en een grote kelder.

Op het kantoor zat vroeger Van Kempen zelf. Later, toen hij directeur van het ziekenhuis was, werd die taak overgenomen door mevrouw van Kempen-Alberts. Van Kempen kwam tweemaal daags even langs om te kijken of alles naar wens was en ging dan door naar het ziekenhuis.
Daarachter lag de grote werkruimte. In het midden stond een lange recepteertafeltafel waar aan weerszijde gewerkt werd en tegen het raam was eveneens een lange recepteertafel.

Hier werden de zetpillen gemaakt, stond het destilleerapparaat en een machine om zetpillen in grote hoeveelheden te maken (dat gebeurde meestal voor het ziekenhuis). Pillen, drankjes, poeders en zalven werden allemaal hier gemaakt.
Daarachter was nog een ruimte. Hier was ooit de analistenopleiding maar later was het ook de ruimte waar pauze gehouden werd. Je kon van hieruit nog net zien of het voor erg druk was.

Achteraan de kleine binnenplaats lag het klaslokaal en de spoelkeuken.

Vroeger waren de mensen particulier of ziekenfonds verzekerd.
Dat maakte verschil, niet wat de geneesmiddelen betreft maar wel de wijze waarop ze afgeleverd werden. Je kon aan het receptenbriefje zien of ze particulier waren of tot een bepaald ziekenfonds behoorde. De arts had ook meestal het fonds al ingevuld en anders werd dat alsnog in de apotheek gedaan.
Recepten waren volledig in het Latijn geschreven en de handschriften waren lang niet altijd goed leesbaar. Soms moest er weleens een arts gebeld worden om te vragen wat er stond.
Na aflevering zette de assistente haar paraaf op het recept en het recept verdween in het receptenbakje. Tegenwoordig moet iedereen het uitgevoerde recept nog eens laten nakijken door een collega die dan ook nog eens haar paraaf erop zet. Op het eind van de dag gingen ze naar de administratie en werd hier bekeken naar wie de rekening moest gaan, naar welke verzekering of particulier. Dan werden ze op chronologische volgorde in een klapper gedaan.
Fondsen waren AMF, AZM, CZF, IZA, VGZ Beambtefonds.
De medicijnen voor de particulieren werden mooier, luxer verpakt. Pillen werden verguld of verzilverd. Bijsluiters werden vroeger niet meegegeven. Eerder nog werden etiketten eraf geweekt. Men moest voorkomen dat de gebruiker te veel informatie kreeg die hij vervolgens verkeerd zou interpreteren.

Behalve het afleveren van recepten was er ook nog de handverkoop. Dat was te vinden aan de rechterzijde in het winkelgedeelte. Verband, drop hoestdrankjes, zelfs een soort slaaptabletten.
Ook kruiden werden nog wel verkocht zoals Kamillie thee
Zelfs cosmetica werd verkocht maar enkel van het merk Vichy en La Roche.

Anticonceptie lag in de jaren 60 nog erg gevoelig. Mocht aanvankelijk niet geleverd worden. Voor een directeur van de Goddelijke Voorzienigheid waar nog veel nonnen werkten lag dat wel erg gevoelig. Toen ook de Sittardse huisartsen dit gingen voorschrijven moest ook Van Kempen leveren.

Veel is veranderd in de apotheek. De opleiding wordt nu binnen het MBO geregeld. Er worden weinig tot geen recepten meer zelf gemaakt. Er is geen verschil meer tussen particulier en ziekenfonds. Recepten die nog gemaakt moeten worden gaan de bereidingsapotheek. De wachttijden zijn veel langer en het kan zelfs gebeuren dat medicijnen niet geleverd kunnen worden. Veel meer dan vroeger bepalen nu de grote verzekeringsmaatschappijen welke medicijnen er geleverd mogen worden.

De apotheken behoren nu allemaal tot grote ketens en kopen gezamenlijk in of ze zijn verdwenen.

Met dank aan Corry Wehrens voor de informatie en de foto’s van apotheek van Kempen